Het woud der verdoolde zielen (3)

Wat vooraf ging:

Ons welgemutste vrindenkwintet heeft ongeweten een pact met een bosnimf gesloten. Waar de vrolijke vrinden nog dachten dat het om wat onschuldige vleselijke vereniging ging, zijn ze nu gebonden aan de ziel van de bosnimf. Naast enige voordelen – zoals daar zijn een herworven jeugd op geestelijk zowel als fysiek vlak – hebben ze zich beladen met een last waarvan ze de omvang nog niet kunnen overzien. Zoetjesaan wordt hen duidelijk dat het niet alleen lust geweest is wat ze tussen mos en varen hebben ervaren…
————————–


Wij vlogen meer dan we fietsten op de weg terug naar huis. Met stille concentratie peddelden wij dat het een aard had en we waren dan ook in de helft van de tijd die we op de heenweg nodig hadden thuis. Op het plein waaraan onze woningen stonden namen wij afscheid van elkaar. Enigszins ongemakkelijk nu, het bos en de nimf leken ver weg al vermoed ik dat mijn kameraden net als ik de sappen voelden bruisen, gingen wij elk ons weegs.
Het huis was stil; mijn vrouw Maartje was kennelijk uit en ik stond even besluiteloos in de vestibule om me heen te kijken, me ervan bewust dat ik had verwacht haar thuis aan te treffen en haar deelgenoot te maken van mijn herworven lichaamskracht. Wij hadden het al zolang niet meer gedaan, dat ik niet wist wanneer de laatste keer was geweest. En al had ik de indruk dat Maartje zich er – net als ik – bij had neergelegd, ik verheugde me op de verandering die ik in ons samenzijn zou brengen. Zo zonder het gezelschap van mijn vrinden merkte ik dat ik onrustig was en het duurde even voordat ik de drang van mijn opnieuw ontloken potentie herkende. Ik wist helaas niet wanneer mijn gemalin thuis zou komen en gevoelde een lichte paniek binnensijpelen; het was de vraag of ik me zo lang zou kunnen inhouden. Ik nam het besluit me te beheersen, om dat besluit na nog geen vijf minuten te logenstraffen. Ik kon niet anders. Bevend zonk ik met mijn knieën op de harde tegelvloer van de vestibule, bevrijdde mijn van spanning kloppende voorhamer en sloeg – innig vervoerd – de hand aan mijzelve. Slechts luttele seconden van tedere omhanding waren genoeg om mijn offer aan het glanzend plavuis te plengen.

Het was in die hoedanigheid dat Maartje mij aantrof: op het moment dat het wonder Gods zich aan mij voltrok en de sappen mij ontvloden, ging de deur open en stond ze daar met open mond te kijken: wat was ze mooi en wat wilde ik haar. Even flitste het door mijn hoofd dat ze zo snel oud was geworden, maar die gedachte verwierp ik ras. Helaas was Maartje niet alleen. Ze werd vergezeld door haar twee beste vriendinnen Ans en Jantje. Ans slaakte een kirrend kreetje en draaide zich half om terwijl ze onafgebroken naar mijn wapen bleef staren. Jantje stond als verlamd, eveneens haar blik op mijn nog immer kloppende steel. Maartjes blik ging van mijn broekevrind naar mijn gezicht en wat ik zag was geen verlangen of blijdschap maar schaamte. Dat deed mij zeer: ik had verwacht haar te verblijden met deze nieuwe impuls in ons toch enigszins ingeslapen huwelijk. Een weinig wrokkig borg ik mijn vlees weg en deed een halfslachtige poging om de productie van mijn heilig werk van de plavuizen te vegen.

“Ik moet huiswaarts,” zei Jantje schel. “Wil ik het eten op tijd klaar hebben.” En weg was ze. Ans bleef talmen en aan haar gestaar naar mijn nu veilig weggeborgen heiligheid kon ik zien dat ze twijfelde of ze zou vertrekken. Maartje keek haar strak aan en toen haalde Ans haar schouders op.

“Tja, dan moest ik ook maar vertrekken,” zei ze.

“Ja,” zei Maartje.

“Wil ik anders even thee zetten?” vroeg ik olijk, maar een blik van Maartje deed de woorden bevriezen. Ans vertrok en Maartje stond daar met haar jas aan, haar tas in de handen, naar me te kijken. Ik liet mijn blik van haar mooie blauwspoeling langs de rondingen van haar lichaam gaan en bleef steken bij het blauwbleek lillend vlees harer kuiten, dat uitnodigend over haar pantykousjes puilde. Onmiddellijk reageerde mijn geslacht opnieuw en ik vroeg mij in gemoede af in hoeverre mijn kracht reikte.

“Ik ga met het eten aan de gang,” zei Maartje. Ze vertrok naar de keuken en liet mij achter in de vestibule. Verbijsterd staarde ik haar na: ik had verwacht dat ze blij zou zijn en dat ze samen met mij zou vieren dat de sapgeesten ons vereerden met hun wederkomst. Stellig had ik niet vermoed dat ze zo afwijzend zou zijn. Ik ging mokkend naar de schuur waar ik een kleine werkplaats had ingericht en liet het wonder aldaar nog vijf keer aan mij voltrekken. Toen het na de vijfde keer alleen nog wat blauw water was wat er kwam, hield ik het voorlopig voor gezien en ging naar de huiskamer, waar mijn vrouw juist het eten opdiende. Terwijl ze over de tafel gebogen stond en de servetten schikte, omvatte ik haar van achteren en liet haar voelen wat de schepper ook alweer bedoeld had met zijn “Gaat heen en vermenigvuldigt u”. Ze draaide zich met een ruk om, daarbij met haar heup pijnlijk hard tegen mijn gemangeld vleesgerecht aan stotend.
“Wat is er met je aan de hand?” vroeg ze. “Het lijkt alsof je je verstand bent verloren.” We zaten neder aan de dis en tijdens  het gul met jus overgieten van de te lang gekookte prei en aardappelen vertelde ik Maartje een gekuiste versie van wat ons vrindenclubje was overkomen. Het gedeelte met de bosnimf liet ik verstandig achterwege, wetend dat het alleen maar kritische vragen zou oproepen en waarschijnlijk niet begrepen zou worden.

“Dus door de kracht van het bos, of iets van die strekking,” besloot ik, “is dit gebeurd.” Ik keek haar verwachtingsvol aan en mijn blik bleef rusten op haar mondhoek, waar zich een sliertje bejusde prei bevond. Wat zag ze er mooi uit zo, en wat wilde ik haar graag.
Een en ander had haar toch niet onberoerd gelaten, of tenminste haar nieuwsgierigheid gewekt, want ze bloosde een beetje.
“Moesten we het straks dan maar eens proberen,” zei ze. “Als je nog een keer kunt tenminste.” Ik kon er niets aan doen maar ik barstte in lachen uit.

“Nu direct wel weer!” zei ik. Maar ze wilde eerst de afwas doen. Daarna maalde ik de bonen voor de koffie en dronken we een kopje. Het was nog voor achten die avond dat we ons naar de echtelijke sponde begaven, alwaar ik mijn nieuw verworden sterkte presenteerde en haar keer op keer nam. Geraakte Maartje aanvankelijk nog in wat voor een lichte extase kon doorgaan; na twaalf keer merkte ik dat ze minder enthousiast meebewoog, en ik vroeg haar of er wellicht iets scheelde.

“Ik kan niet meer,” zei ze, en ze begon te huilen. “Het gewas is immers lang verstoken geweest van regelmatige irrigatie.” Daar had ze gelijk in. Het was lang geleden dat ik Maartjes poort van ondeugd had betreden. Het deed nu pijn, vertelde ze en ze vroeg of ik wilde ophouden. Natuurlijk voldeed ik aan dat verzoek en voor het eerst sinds ik uit het bos was wedergekeerd, merkte ik enige rust in mijn lendenen. Daarnaast begon mijn smaldeel de eerste tekenen van noest gebruik te vertonen. Rood en gezwollen vroeg het naar meer, steeds meer. Na de eerste euforie werden de eventuele nadelen me duidelijk. Deze ongebreidelde gruizigheid had zijn prijs, zo bleek nu al.

“Wat is er in vredesnaam met ons aan de hand?” vroeg Theodoor de volgende dag, toen wij elkaar op het plein ontmoetten. Ik had in het voorbijgaan zijn vrouw Cecile nog even gezien en aan de donkere kringen rond haar ogen vermoedde ik eenzelfde gang van zaken als bij mij thuis. Carel bevestigde dat direct na deze gedachte.

“Mijn Niepke kan dit niet aan, jongens,” zuchtte hij. “En zelf merk ik ook wat schrijning benedenlangs.” Daarmee verwoordde hij wel zo ongeveer wat we allemaal voelden, gezien Theodoor en Benjamin tevens instemmend knikten. Gezamenlijk overlegden wij en besloten de volgende dag opnieuw de fietstocht naar het bos te maken, teneinde verlichting of tenminste enige duidelijkheid omtrent de gang van zaken te krijgen.

Na nog een steelse ronde van ruk-in-de-kring omdat de sapdriften zich bij lange na niet lieten knechten, en wij beurtelings kreunden – nu eens niet van louter genot maar eveneens van het schrijnen der knotsen, togen wij uiteen.
Met een krachtige mentale inspanning wist ik het die avond met veel handlotion en warme washandjes te beperken tot nog zes ronden handgemeen, waarin ik dapper doch gepijnigd mijn natte offers aan het bos bracht; zij het in de wastafel van de badkamer. Maartje, wier vruchtige varen gevoelde gelijk een zoetvijl, zo ze zei, hield sympathiek haar mond. Ik vermoedde dat ze opgelucht was dat ik mijzelf teder beroerde in plaats van het kwistig benatten harer heilige spelonk.

.

-          Wordt vervolgd.

2 responses

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *