Stijloefeningen (57) – Paranoia

Ik sluip de bus uit. Kop in de kraag. Ik maak me klein en duw m’n zoon vooruit. Hij slaapt. Eindelijk. Zijn gejengel trok veel te veel aandacht. De mensen lopen over het stationsplein. Het voelt alsof er een grote, knipperende pijl boven m’n hoofd hangt: HIER LOOPT HIJ! Gelukkig is het kloteweer en kijken de mensen vooral naar de grond. Ik moet naar de Openbare Bibliotheek om het laatste stuk wrakhout te vinden waar ik mij aan kan vastklampen: Stijloefeningen van Raymond Queneau. Twee politieagenten te fiets staan een praatje te maken. Ik moet er langs. Zo rustig mogelijk. De mensen achter me. Ik voel hun ogen. Amsterdam ligt open hier. Een grote, gapende, open wond. Ik moet me losmaken uit de massa en wandel over een plank met aan weerszijden bouwputten. Drilboren en heipalen overstemmen mijn piepende ademhaling. Een delegatie Japanse toeristen moet er langs. Ze hebben allemaal van die driehoekige posterdozen van het Van Gogh Museum bij zich. Maar zitten er wel posters in? Angstzweet gutst langs m’n slapen.

Ik sta voor de trappen van de bibliotheek en zie niet zo snel waar ik naar binnen kan. Een vrouwenstem. Ik wil weg, maar het is te laat. Ik inventariseer. Zwarte krullen, bleke huid, onopvallende kleding. Een stille? Voor wie werkt ze? Verbergt ze iets onder haar jas? Ze spreekt Engels met een Frans accent. Verderop staat een man in een grijze regenjas. En daar nog één. De vrouw vraagt of dit het postkantoor is. Waarom wil ze dat weten? Wat is dat voor vraag? Hier stond ooit een postkantoor, maar dat staat er al jaren niet meer. Ik moet zo onopvallend mogelijk antwoorden. ‘No,’ zeg ik, m’n stem slaat over, ‘this ain’t the post office.’ Ze grijpt naar haar binnenzak. Ik zet me schrap om toe te slaan. Ze kijkt achter zich. Een grijze Renault rijdt achteruit rijdend van ons weg. Ze glimlacht. Ze haalt een papiertje uit haar zak. Ingehouden adem ontsnapt fluitend uit m’n neus. Zou ze aan mijn kant staan? Ze kijkt weer achter zich. De grijze Renault rijdt nog steeds van ons vandaan. Ik lees twee adressen op het papiertje. Raadhuisstraat, lees ik. Zou het codetaal zijn? Ik weet dat daar een postkantoor is. Dat wil ik tegen haar zeggen, maar ze kijkt weer om, glimlacht, kijkt nogmaals om en rent weg. Achter de Renault aan. Met de staart tussen de benen. Ik maak me klein en loop richting de ingang. Zigzaggend, in de hoop het eventuele scherpschutters moeilijker te maken.

Ik sta bij de Q. Te zoeken. Met mijn vinger ga ik langs de ruggen van de boeken. Er is aardig wat van Queneau, maar Stijloefeningen zit er niet bij. Stijloefeningen zit er godverdomme niet bij. Wat had ik dan verwacht? Ik ga naar de computers en log in op de online catalogus. Zodra ik Stijloefeningen intik, weten ze ongetwijfeld dat ik hier ben, maar het is niet anders. Ik tik het in en zie dat het boek op de daartoe bestemde plek moet liggen. Wat had je dan gedacht, naïeve zak? Natuurlijk ligt het boek op de juiste plek. Alleen, het ligt er niet. Ik kijk om me heen. Daar zit een bibliothecaris achter zijn computer. Ik probeer een inschatting te maken. Hij lijkt me te vertrouwen. Ik loop naar ’m toe en ik zeg ’m wat ik zoek. Hij tikt wat in op zijn computer, kijkt naar het scherm. En zegt dat hij wel even meehelpt met zoeken. Zou hij dan toch? Ik loop achter hem aan. Ik zie mannen zogenaamd onopvallend in boeken bladeren. Ze kijken ons na. We staan weer bij de Q van Queneau. De bibliothecaris zoekt. En vindt niks. Natuurlijk vindt hij niks. Hij zegt dat ik een mailtje naar het magazijn moet sturen. Die hebben nog wel een exemplaar. Ik probeer een risico-analyse te maken. Als ik mail, ben ik gevonden. Maar het boek is de enige kans om mijn onschuld te bewijzen. Ik mail. Ik wacht. Een kwartier. De langste vijftien minuten uit m’n leven. Tijd is een oceaan van eindeloze angstzweetdruppels. Nieuwe mail. Stijloefeningen is aanwezig. Op de tweede verdieping. Waar ik ben en waar ik net de hele tijd heb lopen zoeken. De moed zinkt in mijn schoenen. Het laatste beetje hoop dat nog in mij zat sterft ter plekke. Ik ben verloren. Het is nu slechts een kwestie van tijd voordat ze me oppakken.

Ik loop naar buiten. Loop naar het stationsplein. Neem de bus. Op het Bos en Lommerplein stap ik de bus uit. Het is opgehouden met regenen. Mijn zoontje is wakker. Een troebel zonnetje breekt door. Voordat ik naar huis ga, stap ik bij een babywinkel naar binnen. Ik koop babyschoentjes. Buiten staan twee mannen met hun rug naar de etalage.

5 responses

  1. Prachtig, prachtig, prachtig. Van de eerste tot en met de laatste zin.
    Je hebt weer een nieuw hoogtepunt toegevoegd aan het toch al indrukwekkende geheel, Max.

  2. Ja, maar dat maakt niet uit. Ik merk het met mijn Dirkswoudjes: de simpelste stukjes, die na een half uurtje klaar waren, krijgen de meeste waardering. Nu zit ik bijvoorbeeld al anderhalve dag te dubben over het volgende stukje (over een natuurgenezer), zinnen te schrijven en zinnen te schrappen, en het komt maar niet klaar. Als dat stukje klaar is, wil dat niet zeggen dat het meteen een goed stukje is. Ja, volgens mezelf natuurlijk wel. (Als het er maar uitziet alsof het hupsakee zo opgeschreven is.)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *