Stijloefeningen (44) – Nederlands toneel

Scene 1: Op het toneel staat een paal met bovenop een rond bord waarop we BUSSTOP lezen. Achter het bord hangt een groot wit doek, waarop filmbeelden van het Amsterdamse Centraal Station zijn geprojecteerd. Mensen lopen af en aan. Het toneel is verder leeg. Een man (‘onze held’) komt aangelopen. Op het filmdoek zien we een bus. Onze held loopt een beetje eigenaardig want hij doet net of hij zit. Bij de BUSSTOP aangekomen stopt hij en stapt hij de denkbeeldige bus uit. Hij duwt een trolley voort (zo eentje waarmee bejaarden boodschappen doen). Onze held begint te praten, schijnbaar in het niets. Met luide stem.

Onze held: ‘Mijn zoon slaapt. Maar welk een hondenweer! De regen geselt mijn gezicht. De wind doet mijn ogen tranen. Maar ik ga voort. Onvervaard. Op weg naar de Openbare Bibliotheek om Stijloefeningen van Raymond Queneau te lenen. Daar ben ik reeds de nodige tijd naar op zoek. Maar god, wat is het hier een kale negorij.’

Op het filmdoek zien we beelden van bouwputten en opengebroken wegen. We horen heiende heipalen en drillende drilboren.

Onze held: ‘Het lijkt wel of men hier een bom heeft gedropt. Als dit vooruitgang is, geef mij dan een teken.’

Op dat moment verlicht een hels bliksemlicht het toneel. Donder schalt door de zaal. Op het filmdoek is het decor veranderd. Onze held staat voor een enorm gebouw waarop wij Openbare Bibliotheek lezen. Net voordat hij naar binnen gaat, wordt hij aangesproken door een vrouw met zwart, krullend haar.

Vrouw: ‘Pardonnez me. Je am looking pour le post office. Is zis ze post office?’

Onze held: ‘Wat is dit? Wie ben ik? Wie bent u? Zie ik wel wat ik zie? Ziet u wat u ziet, of ziet u wat ik zie? Je naisse quoi.’

De vrouw kijkt schichtig achter zich. Ze laat een briefje zien. Achter de vrouw, op het filmscherm zien we een auto achteruit wegrijden. Onze held houdt zijn hoofd scheef terwijl hij op het briefje kijkt.

Onze held: ‘Hoe schoon, het geschreven woord. Is zij niet net zo krachtig als de krachtigste windhooos? If I were you, I would go to the Raadhuisstraat.’ Onze held plukt aan een denkbeeldig sikje. De vrouw lacht schichtig, draait zich om, lacht nog een keer en rent dan weg, de armen omhoog geheven. Onze held kijkt de vrouw achterna: ‘Vaarwel! Vaar wel.’

Scène 2: Op het filmscherm zien we rijen met boeken. Op het toneel staat ook een boekenkast. ‘PQR’ staat er heel groot op de boekenkast geschreven. Onze held staat ervoor. Hij plukt weer aan z’n denkbeeldige sik.

Onze held: ‘Hm. Er zijn genoeg boeken van Queneau, maar net Stijloefeningen is niet aawezig. Welk onheil hangt er boven mijn hoofd? Welke misdaad heb ik begaan om dit te verdienen? Laat ik, voor de zekerheid de catalogus raadplegen.’

Onze held loopt naar een computer. Hij tikt wat in. Op het filmdoek zien we het computerscherm met de interface van de zoekpagina van de OBA-catalogus. We zien dat onze held ‘Stijloefeningen’ en ‘Raymond Queneau’ intikt. Er verschijnt een lijst. ‘Stijloefeningen,’ lezen we. ‘Aanwezig.’

Onze held: ‘Zoet is de vrucht van mijn queeste.’

Onze held loopt naar een man die achter een balie boeken aan het rubriceren is.

Onze held: ‘Excuseer. Ik ben op zoek naar Stijloefeningen van Raymond Queneau. Helaas kon ik deze niet vinden, waarop ik de online catalogus heb geraadpleegd. En volgens de catalogus is Stijloefeningen wel degelijk aanwezig. Nu was ik eerder wellicht abuis. Zoudt u zo vriendelijk willen zijn, met mij mee te zoeken aangezien vier ogen meer zien dan twee?’

Medewerker: ‘Of een hond geslagen wordt, of geaaid, hij doet wat hem wordt opgedragen.’

Op het filmdoek zien we een psychedelische collage van boekenkasten en boektitels die vervormen en in elkaar overgaan. Alle boeken van Queneau komen langs, behalve die ene, behalve Stijloefeningen.

Onze held: ‘Ik vrees met grote vrezen.’

Medewerker: ‘Ik vrees met u mede. Echter, als laatste sterft de hoop. U kunt het magazijn proberen. Als het hier niet ligt, is het nog niet teruggebracht en ligt het daar. U moet wel een mail sturen.’

Het licht dempt. De computer komt naar onze held gereden. Onze held gaat zitten en tikt:
‘Geachte heer, mevrouw,
Ik ben op zoek naar Stijloefeningen van Queneau. Code: 49876687. Is deze bij u aanwezig?
U zeer erkentelijk,
Onze Held’.

Onze held leunt op zijn ellebogen. Doet zijn benen op het bureau. Breit een sjaal. Onderwijl zien we op het scherm op een grote, digitale klok in sneltreinvaart de seconden wegtikken. Zodra de klok 14.15 uur aangeeft, klinkt het geluid van binnenkomende mail. Onze held klikt op het mailtje. We lezen met hem mee.
‘Geachte heer Held,
Het door u opgevraagde boek bevindt zich reeds op de tweede verdieping bij de categorie Romans.
Hoogachtend,
Het Magazijn.’

Onze held gooit de computer weg en gaat vervolgens het filmdoek met een mes te lijf. Als hij uitgeraasd is, zien we op de restanten van het doek het interieur van een babywinkel geprojecteerd. Onze held loopt als een geslagen hond, met zijn hoofd tussen zijn schouders, naar een schap met babyschoentjes. Hij pakt een doos van het schap en loopt ermee naar de kassa. Bij de kassa aangekomen betaalt Onze held met pin.

Het doek valt. Onze held komt drie maal terug om buigend een staande ovatie in ontvangst te nemen. Middels eenvoudige handgebaren bedankt hij gul zijn regisseur, de lichtman en de geluidstechnicus.

2 responses

  1. Amice!

    Voorwaar een prachtig stuk, dat ik graag wil uitvoeren met mijn vrinden. Echter, ik zou graag een kleine wijziging willen aanbrengen, met name in het aantal staande ovaties. Ik zou graag zeven keer terugkomen om zulks in ontvangst te nemen. Men moet zich beperken.

    Ontroerd,

    Je Jeroen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *