In de rijmende jager

Het begint altijd met een stap. Stap één zeg maar. Op de rand staan. Naar beneden kijken. Geen valscherm. Dit keer ga je het doen.

Je hebt het al zo vaak gedaan, in je hoofd. En nu zit je hier in de snackbar. IRL. Wachtend op haar. En ze komt. Verregend loopt ze binnen. Bestelt een friet speciaal. Met een frikadel speciaal. Ja werkelijk alles is speciaal aan deze dame. Grote ogen, trillende neusvleugels als van een konijn. Hoe ze aan haar friet ruikt. Hoe ze aan het rietje dat uit haar colablikje hangt zuigt. Je staart naar haar korte zwarte haar. Zachtjes zuigend op de wit uitgebeten plastic wortel die aan je sleutelbos hangt. Je zuigt er graag aan. Je staart in haar nek. Knabbelend aan het oranje ondergrondse. Je rijmpje fluisterend. Zij is intussen in haar frieten verdiept.

De timmerman tikt altijd raak
schaaft rustig aan zijn blok
De timmerman kijkt niet zo vaak
Op zijn koekoeksklok

Wacht. Ik strik mijn veter
Kom doe je schoenen aan
Strak strikken is echt beter
Heb jij dat wel gedaan?

Bij ‘gedaan’ kijkt ze om. Je bent een knappe man. Lang, donker, strak in pak. Je glimlacht. Killer smile. Ze kijkt verbaasd, maar glimlacht terug. Nu. Doe het nu. Niet nadenken. Doen. Stap één. Je staat op, overbrugt de vijf meter tegelvloer tussen jullie en gaat pardoes naast haar zitten. ‘Pardon??’ Haar gefronste wenkbrauwen. Haar armen op tafel als een fort om haar snacks heen. Je laat een brutale arm als een kraanarm boven dat fort zweven. Speelt met haar frikadelbakje.
‘Hoi, Ik ben Michael.’ Zo heet je niet. ‘Is je friet lekker?’
‘Euh, ja. En waarom zit jij ineens hier?’
‘Nou weet je meisje, ik dacht je zit zo aan je cola te lurken, met een rietje, als Sofietje, je zult wel behoefte hebben aan wat conversatie.’ Ze kijkt je ongelovig aan.
‘Nou dit is wel erg toevallig zeg. Ik heet Sofie.’ Ja duh. Sofia Margaretha van der Made. Is er iets aan haar dat je niet weet? Je glimlacht. Je hebt mooie tanden.
‘Goh! Dat is sterk zeg Sofie. Woon je hier in de buurt?’
‘Euh. Ja.’ Ontwijkend antwoord. Je glimlacht. Goed zo Sofietje. Oppassen voor vreemde mannen Sofietje. Ravensteinseweg 27, 9944 AC Moerenbroek of niet dan Sofietje.
‘Goh toevallig zeg. Ik ook. Maar dat is logisch natuurlijk, want we zitten allebei in dezelfde snackbar.’ Jullie lachen.

‘Weet je wat mijn favoriete snack is?’
‘’Nee?’
‘Een patatje feest. Of ‘oorlog’ zoals het vroeger heette. Ik vind dat eigenlijk onzin trouwens, dat het hier nog steeds ‘feest’ heet. Het blijft overal op de wereld oorlog dus ik vind het logischer dat we dát met friet gedenken dan feest.’
‘Ja maar er is ook altijd wel ergens feest op de wereld.’
‘Ja maar de feestjes zijn nooit zo groot als de oorlogen.’ Ze kijkt je aan. Haar ogen worden groot.
‘Jee, dat is mijn tekst joh! Weet je zeker dat ik je niet ergens van ken?’
Ja zou goed kunnen Sofietje. Iemand heeft namelijk een half jaar lang elke donderdagavond vanachter een oude Telegraaf naar jou zitten luisteren hier Sofietje, terwijl jij met je vriend dingeshoeheettie over een bak friet over de wereld oreerde.
‘Hmm… Waar zou ik je van moeten kennen dan meisje? Ik kom hier echt alleen maar als ik niks meer in huis heb.’ Dat is iedere dag. Ze kijkt je vorsend aan.
‘Je bent een vreemde jongen. Weet je dat? Volgens mij hebben we een spirituele connectie ofzo. Wacht. Gaan we zo testen. Eerst even naar het toilet.’ Hé dat doet ze anders nooit. Maar er hangt een spiegel gelukkig. Je kijkt om je heen. Vetvlekken op de tegels. De eigenaar is niet de schoonste man van Moerenbroek. Maar dat past wel bij je. Je vist de sleutelhanger weer uit je zak en sabbelt er op. Mompelt rustig verder.

De timmerman slaat altijd raak
schaaft schaafsel van zijn blok
De timmerman kijkt niet zo vaak
Uit zijn duikersklok

Wacht. Ik strik mijn veter
Uitleggen heeft geen zin
Stil strikken is nu beter
Je dwaalt het donker in

Bij ‘in’ komt ze het toilet uit en gaat weer zitten. Haar lippen glanzen van de gloss en haar haar zit bijna onmerkbaar anders. Blosjes op haar wangen. Ze steekt twee handpalmen in de lucht en vraagt lachend, rimpeltjes in haar voorhoofd:
‘Oké mystery man. Hier komt de test. Wat is mijn lievelingskleur, wat is mijn lievelingsdier en wat is mijn lievelingsgetal?’ Hè hè, je dacht al dat het nooit meer zou komen.

‘Nou ik denk euh… blauw, een dolfijn en vijf?’
‘Shit hé!’ Haar stem die een octaaf omhoog schiet. ‘Twee van de drie goed!’ Tja. Als je ook nog ‘drie’ had gezegd was het wat al te toevallig geworden nietwaar? Je knipoogt en doet net of je haar doodschiet met je wijsvinger.
‘Pauw! Goed, nu moet je het bij mij raden.’ Ze legt haar armen weer om haar snacks, maar nu om er op te leunen en naar je toe te buigen. Ze houdt haar koppie scheef. Doet één oog dicht.
‘Oké. Euh… Ik zeg groen, een beer en vijf.’ Nee trut, het is geel, een molrat en elf. Maar dat geeft allemaal niets. Je sluit je ogen en glimlacht.
‘Je bent goed. De kleur en het getal kloppen!’
‘En wat is het dier dan?’
‘Een adelaar, en wat was jouw getal?’
‘Drie. Jee een adelaar. Dat past wel bij je. Enneh… Past dolfijn een beetje bij mij?’ Ze kijkt verlegen naar de tafel. Draait een krulletje in haar haar.
‘Die dolfijn staat je geweldig,’ zeg je. Bingo. Haar ogen worden groot. Neusvleugels ontspannen. Grote groene irissen staren je aan terwijl de zwarte vloeistof in haar rietje stijgt.
‘Je woonde hier in de buurt zei je?’
‘Ja aan de Staarmontweg.’
‘Hé dat is de straat achter mij! Wat grappig.’ Nou, wat grappig.

Ze heeft de helft van haar friet laten staan. Met dingeshoeheetie er bij eet ze altijd alles op.
‘Hé je laat je frieten koud worden joh!’
‘Oh, ja. Dat is waar ook. Uh… Wil jij nog wat?’ Ze schuif het plastic frietbakje over het formica naar je toe. Zoenoffer met curry en uitjes.
‘Ach nee joh! Ik heb al zat op.’ Maar je tast toch toe. Dipt de gefrituurde aardappelstengels in haar rode saus en eet. Haar eten opeten maakt mamaklieren wakker, dat weet je. En hop, terwijl ze toekijkt glijdt het armenfort van tafel. Ze gaat verzitten. Een hand gaat door haar haar. Ze raakt haar lippen aan. Let op, nog even en ze doet een haarflip. Je kauwt rustig door en glimlacht. Betrouwbare Michael. Knappe Michael. Ideale schoonzoon Michael. Je hand knijpt in de wortel in je zak. Ze doet de haarflip. Haar haar beweegt maar nauwelijks. Extra fixerende haarlak. Je laat een beschaafde boer, een hand voor je mond. Dan sta je op en knijpt zachtjes in haar arm. Fluistert in haar oor.
‘Kom we gaan.’
‘Meneer Michael, wat bent u ineens doortastend!’ Ze bloost maar ze pakt wel haar spullen.

Buiten regent het nog steeds. De Ravensteinseweg is de tweede links. Ze wil stoppen en afslaan maar je gaat achter haar lopen en duwt haar voort. De Staarmontweg in.
‘Doorlopen!’
‘Hihi, oké, oké.’
Het is een stille weg. Halverwege begint het industrieterrein. Ter hoogte van nummer 47 begint ze te twijfelen.
‘Woon jij hier? Hier zijn toch verder geen woonhuizen?’
‘Jawel, klein stukje verderop staat nog een kluitje.’ Maar ze stopt. Ze blijft staan waar ze staat en kijkt je aan. Bijt op een nagel.
‘Michael? Ik wil NU terug.’ Trillende konijnenneusvleugels. Je wordt een beetje streng.
‘Ho! Ho eens even meisje, luister. Ik heb je hier gebracht voor iets bijzonders. Meekomen.’ Je neemt haar bij de arm en leidt haar een ommuurde parkeerplaats op. Ze kijkt angstig rond.
‘Goed meisje. Kijk nu eens heel goed om je heen?’ Terwijl ze rondkijkt doe je een hand voor haar ogen. Ze wil gillen maar je duwt je andere hand op haar mond. Fluistert in haar oor.
‘Luister! Alles wat je net zag kun je horen! Luister naar de regen. Hoor je de groene plastic vuilnisbakken rechts van je? De grote metalen cilinders achter je? … Juist! Hoor je het? Hoor je de regen op de auto’s links? Op het asfalt? Hoor je het tikken op de glasscherven op de muren? Ogen dicht!’ Je laat haar los. Ze ademt diep in, haar ogen dicht. Luistert ingespannen. Begint te glimlachen. Ze staat in de regen te luisteren met een enorme grijns om haar mond.
‘Michael? Dit is, dit is geweldig! Een soort vleermuisradar!’ Ze doet haar ogen open, kijkt verwonderd om zich heen. Regenradar is mooi hè Sofietje? Tijd voor wat poëzie. Je schraapt je keel en doet je rijmpje. Hardop. Zakt op één knie. Glimlacht. Alsof het een liedesgedicht is.

De timmerman tikt altijd raak
schaaft rustig aan zijn blok
De timmerman kijkt niet zo vaak
Op zijn koekoeksklok

Wacht. Ik strik mijn veter
Kom doe je schoenen aan
Strak strikken is echt beter
Heb jij dat wel gedaan?’

Ze glimlacht terug. ‘Jee jij bent raar zeg. Zelf geschreven zeker?’ Je knikt.
‘Nou, ga door dan? Nu wil ik weten hoe het afloopt.’ Je aarzelt. Wil je dit eigenlijk wel? Ze komt naar je toe en geeft je een koude regenhand. Je kijkt haar diep in de ogen. En terwijl je kijkt besef je weer dat willen hier niets mee te maken heeft. Jij hebt haar niet uitgezocht, zij heeft jou uitgezocht. Zij wil dit. Jij bent slechts de boodschapper van haar lot. Je knikt langzaam. Gaat weer staan.
‘Oké, komt ie.’ Terwijl je het volgende couplet opzegt trek je langzaam de opgevouwen vuilniszak uit je jaszak. De regen roffelt op de plastic vuilbakken. Valt tinkelend op het cilindermetaal. De regen trommelt zacht op het asfalt. Tikt op de scherven op de muur. En jij draagt verder:

De timmerman slaat altijd raak
schaaft schaafsel van zijn blok
De timmerman kijkt niet zo vaak
Uit zijn duikersklok

Wacht. Ik strik mijn veter
Uitleggen heeft geen zin
Stil strikken is nu beter
Je dwaalt het donker in

Bij ‘in’ tover je de vuilniszak van achter je rug tevoorschijn. Alsof het een verrassing is. Je doet net of je een goochelaar bent. Zwaait hem rond en slaat er lucht in, terwijl je verder declameert. Ze glimlacht en klapt en trekt tegelijkertijd haar wenkbrauwen en haar schouders op. Ze heeft geen idee.

De timmerman mept altijd raak
schaaft wormen uit zijn blok
De timmerman brak net je kaak
En stopt je in zijn sok

Bij ‘sok’ trek je in een vloeiende beweging de vuilniszak over haar hoofd, je geeft er een draai aan en laat je op haar vallen, op het asfalt. Haar gegil wordt door het plastic gesmoord. Je draait de zak strak om je pols, tegen haar nek aan. Er terwijl je het plastic met woeste halen aantrekt grom je je laatste zinnen.

Wacht ik strik mijn ve – ter
Kom doe je schoe – nen uit
Je draad – je is ver – sle – ten
Dit vers – je is nu uit!

Niet lang na ‘uit’ stopt ze met schoppen. En geen moment te vroeg. Zo’n worsteling hou je niet lang vol. Je draait het plastic nog strakker aan. Ze stribbelt nog een tijdje door, maar het duurt niet lang meer. Als ze helemaal stil ligt wikkel je je arm uit het plastic. Veegt het zweet en de regen van je gezicht met een jasarm. Je zwaait haar over je schouder en loopt naar de groene vuilbakken in de hoek. Dubbelgevouwen past ze er precies in. Je trekt de zak van haar hoofd. Haar pupillen zijn klein als speldenprikjes. Een straaltje kwijl loopt uit haar mond. Het haar gefixeerd in haarlakchaos. Ze kijkt niet angstig of verbaasd. Ze staart met een loze blik voor zich uit. Alsof ze moe is van het winkelen. Uit haar neus loopt een klein beetje bloed. De konijnenneusvleugels liggen stil. Eindelijk. Je gooit het deksel er op. Dan knijp je je neus dicht en hou je je adem in. Je tilt voorzichtig het deksel op van de groene bak ernaast. Godjezus wat een rottingslucht. Dingeshoeheetie begint uit elkaar te vallen. Het begint altijd met een stap. Stap één…

2 responses

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *