Het woud der verdoolde zielen (2)

Wat vooraf ging:

De vrolijke vijf van de jongensclub worden tijdens een fietstocht door de Drentse bossen bevangen door een mysterieuze energie waardoor zij een enorme toename in kracht, potentie en geestelijke scherpte ervaren. Ternauwernood bewust van deze ervaring, verschijnt aan hen een wezen: verleidelijk en gevaarlijk. Wat wil dit wezen van de goedlustige mannen?
————————–


Het lichtende wezen sprak tot ons in een toon die onaards was, en die ons tot diep in de organen raakte. We waren enigszins van slag en konden slechts ademloos luisteren. Bedremmeld stonden wij in een halve cirkel om haar boodschap te ontvangen. Ze was zo prachtig om te zien dat we moeite hadden om te blijven kijken. Haar huid was als romige zijde, haar borsten vol en troostend; de gouden driehoek van haar vrouwelijke ontvangenis een poort naar verlichting. Tevens had zij mooie voeten.

“Ge zijt uitverkoren; o pentagram van mangeslachten,” sprak het wezen. “En ge zult de zegen ontvangen. Doet ge mij uw belofte, volvoer uw zinnelijk werk aan mij en ge zult gezegend blijven voor de rest van uw lange, zeer lange leven.”

We stonden als kleine jongens te knikken terwijl we geen notie hadden van wat de nimf, of wat voor wezen het ook was, wilde.  Ze sloot haar ogen en wachtte. Wij keken elkaar eens aan en haalden de schouders op in onwetendheid. Na een wijle opende ze haar ogen en wees naar Gabriël.

“Gij,” zei ze. “Komt nader tot mij, prepareer uw geslacht en los uw dienst in. Voed mij met het semen der mensheid en laaf mij met uw sterfelijkheid.”

Als in een somnambulische trance schuifelde Gabriël naar het wezen en bleef vlak voor haar staan. Het prepareren van zijn geslacht bleek geenszins van node, daar hij meer dan gereed leek voor welke dienst dan ook. De nimf spreidde haar armen, omvatte Gabriël en leidde hem met één soepele beweging naar binnen. Ze gooide haar hoofd in haar nek, zodat haar lange haren de bosgrond achter haar beroerden en hief een gezang aan – zó schoon, zó etherisch en zó helder, dat wij vier toeschouwers van dit wonderlijke tafereel allen een ferme scheut voorvocht verloren. Gabriël echter, kromde zijn rug, gromde en begon te schreeuwen. Aanvankelijk waren wij in de veronderstelling dat hij pijn had – hoewel geen van ons ook maar een moment aanstalten maakte hem te helpen – maar al gauw bleek dat het de opmaat was van innig genot. Zijn kreet werd hoger en hoger en voegde zich naadloos bij het gezang van de nimf, waarna zij paarden in een harmonie van tonen; een akkoord van zinnelijkheid met de aarde als contrapunt. De bomen rondom ons ruisten hevig, de grond waarop wij stonden trilde en ik werd bevangen door een dringend heimwee naar een wereld waarvan ik het bestaan nooit had vermoed.

Na momenten die eeuwigheden leken, liet de nimf Gabriël los. Hij zakte ineen op de grond voor haar voeten en zij hurkte schrijlings over onze vrind, waarna zij een weinig van haar sappen op hem liet stromen. Gabriël opende zijn ogen en het leek alsof hij dertig jaar jonger was geworden. Met een vage glimlach krabbelde hij van de grond overeind en fatsoeneerde zijn kledij. Zwijgend liep hij een eindje tot buiten onze halve cirkel en zette zich neder aan de voet van een spar. Ik vermoed dat we ons allen een lichtelijk jaloers gevoelden over de vleselijke zegen die hi j zojuist had ontvangen. Onterecht, zo bleek. De nimf wees Benjamin aan en wenkte hem toen. Hij keek vragend van mij naar de nimf, alsof ik enig idee had wat er gaande was. Ik haalde mijn schouders op en de nimf zeide met enige spot in haar stem: “Wel, gaat ge u onttrekken van uw goddelijke gelegenheid?”

“Ik wist niet dat ik ook…” begon Benjamin, maar hij werd onderbroken door haar kristallen stem.

“Of dacht ge dat ge immer aan het handmelken kon blijven? Nou?”

Schoorvoetend trad Benjamin op haar toe. En zo volgden allen van ons gezelschap, met uw schrijver als laatste. Ik kan u uitleggen noch duiden wat er precies plaatshad, maar het was in geen enkel opzicht te vergelijken met welke eerdere ervaring dan ook. Zelfs nu, decennia later, kan ik me lijfelijk herinneren dat alles samenkwam op het moment dat mijn geheven slaghout haar vochtighete valies betrad. Mannelijk en vrouwelijk, groot en klein, heet en koud, alle polairen kwamen samen in een kosmisch orgasme; een dans van hormonen, moleculen en atomen – gevoed door een heiligheid die ver voorbij menselijke seksualiteit ging. Alles viel op zijn plaats; alles was in harmonie.

Toen wij dan eindelijk allen neerzaten; vervuld en ontspannen, sprak wederom de nimf tot ons en gaf ons de volgende boodschap.

“Ge zijt nu in ziel verbonden met de kracht van het bos. De belofte die ge zojuist met uw zaad hebt gedaan, zal tot in eeuwigheid gelden. Denk daaraan, gij nietige menswezens, als ge geroepen wordt.”

En met die woorden verdween zij als een sluier van rook. Wij bleven achter, pas veel later tot spreken in staat en zelfs toen vermeden wij het om de even daarvoor geleden ervaring te berde te brengen. Er had in ons allemaal een drastische verandering plaatsgevonden, ten goede zowel als ten kwade. Wij beseften dit weliswaar in een diep, rudimentair weten doch plachten erover te zwijgen. De mutatieve gevolgen ten goede waren ten dele reeds merkbaar: we gevoelden ons allen vitaal en bruisend, vervuld van levenskracht en verlangens; ons zaad drong zich dra opnieuw aan de poorten van onze degens, doch wij besloten dit pas bij thuiskomst uit te storten, gelijk de heilige geest en het dienovereenkomstig te delen met onze menselijke echtgenotes.

De verandering ten kwade beseften wij slechts bij concept. De wijze waarop dit zich zou manifesteren, daarvan hadden wij nog niet het geringste vermoeden. We wisten niet wat dit, deze ontmoeting, uiteindelijk met ons had gedaan.

Dat zou echter niet zo lang meer duren.

–          Wordt vervolgd.

2 responses

  1. Pingback: Nurks

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *