De overgave van de kunstenaar

Ik ga in dit stukje drie kunstenaars noemen. Twee ervan ken ik persoonlijk, de derde ken ik alleen van de televisie. Ik houd van het werk van alledrie. De eerste van de drie kan alles met een keu, de tweede kan alles met een pen en de derde doet het vanaf een plank. Het zijn alledrie dertigers.
De eerste is Ronnie O’Sullivan, de snookerspeler die eens ‘de hele tafel opkuiste’ (zoals de Belgische commentator van Eurosport het zo mooi zegt) met een serie van 147 in minder dan 5½ minuut, en die jaren later, nadat hij één rode bal had gepot, aan de scheidsrechter vroeg wat de prijs voor een serie van 147 was, waarna hij ook inderdaad die 147 maakte. Dat ik van het snookerspel ben gaan houden, komt door hem.
Hij speelt de laatste tijd slecht, het interesseert hem niet meer, hij heeft problemen thuis, en hij zal binnenkort wel tabeh zeggen. Dat is jammer voor de sport, maar kunstenaars hebben inderdaad vaak last van sociale problemen, depressies enz.
Wie daar geen last van heeft, is de tweede persoon die ik wil noemen: Max Molovich. Hij schrijft nu aan zijn Stijloefeningen, en is daarmee bijna op de helft. Ik hoop dat hij diplomatiek ook zal meenemen.
Max en Wouter van den Berg en ik zaten een paar maanden geleden eens in het Egmondse Lido. We aten een lunch, en ik vroeg: ‘Waar heb je nou die naam vandaan?’
Max zei (en Wouter kan het bevestigen): ‘Ik ben gewoon begonnen met die naam, en nu raak ik hem niet meer kwijt. Ik heet eigenlijk Arend Muskee.’
‘Familie van?’ vroeg ik.
‘Nee, dat niet. Maar om nu met de achternaam Muskee te gaan staan tetteren op het internet…’
‘En hoe spreek je je schuilnaam uit?’
‘Max spreekt voor zich. Molovich spreek je uit met de klemtoon op de tweede lettergreep, dat komt door mijn Pools-Russische achtergrond. Zo spreken de Polen.’
De derde persoon die ik wil noemen is de oud-schoonspringer Henk Wieringa uit Dirkswoud, die nog niet algemeen bekend is, maar dat zeker zal worden, ooit. Hij heeft in zijn achtertuin een bassin laten aanleggen, met een 20 meter plank.
Zelf zegt hij daarover: ‘Hoger en dieper en gevaarlijker, dat is de toekomst. De 10 meter plank, die ze nu nog gebruiken, dat is niet genoeg. Ik ben een uiterst ingewikkelde sprong aan het oefenen, een 7½ contrasalto gehoekt met 6½ schroef. Dat kan alleen vanaf 20 meter en we noemen hem: de Wieringa.’
Zo heeeft u een beetje meer inzicht gekregen in mijn kunstsmaak en -voorkeuren.

7 responses

  1. Volgens mij ligt het op de een-na-laatste lettergreep. De klemtoon. Zo hoor ik nu Winston Gerschtanovitz zeggen dat ie Gerschtánovitz heet, terwijl hij, volgens wijlen mijn Georgische grootmoeder, Geschtanóvitz heet.

  2. @ Max. Ja, de klemtoon ligt op Molóvich, zoals ik ook zei (en jij me al eerder zei). En ik weet niet of je Georgische grootmoeder gelijk heeft met dat Gerschtanovitz. In Georgië had de arme man Gerschtanovitzvili of Gerschtanovitzjan geheten, en had de klemtoon op Gersch moeten liggen, volgens mij.
    Maar ik weet er ook niets van.
    Ik hoop dat je het een aardig verhaal vond.

      • Gerschtánovitsj is, daar zijn wij het als taalkundigen in elk geval over eens, een onding, nog erger dan het uitspreken van mijn achternaam met de klemtoon op de voorlaatste lettergreep.
        We zouden het eens aan Wouter moeten vragen. Die zal vermoedelijk zeggen: je moet Gérschtanovitsj zeggen.

        • Ik hoop trouwens echt dat je diplomatiek gaat schrijven. Met bijvoorbeeld: ‘Je naisse quoi, uiteraard,’ antwoordde ik voorzichtig.

  3. @ Berend. Nee, Henk Wieringa is geen persoon waarover men zich zorgen zou hoeven maken: een gezonde Noordhollander. Het bassin is drie meter diep, en zit vol water. Als men daarin duikt, neemt men risico’s. Maar men duikt met de handen naar voren, zodat men zich van de basis van het bassin kan afzetten. Men moet dus goed duiken, steeds. Henk laat geen vreemden toe in zijn achtertuin.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *