Stijloefeningen (9) – Hyperbool

Ik stap de bus uit. De mensen stonken weer eens een uur in de wind. Stelletje bunzingen. Ik ben met mijn zoon en laveer met zijn kinderwagen tussen de miljarden mensen die het nodig achten de trein te nemen. Wat een verschrikking. Het is dat ik niet anders kon. Ik ben op zoek naar Stijloefeningen van Raymond Queneau, de grootste schrijver aller tijden. Ben ik al minstens een eeuw naar op zoek. Maar nergens te vinden. Als laatste sterft de hoop, en die hoop is gevestigd op de Openbare Bibliotheek van Amsterdam. Maar voor ik daar ben, moet ik mij een weg banen door deze oceaan van mensen. Kunnen ze hier niet eens een bom op gooien? Bij voorkeur als ik er niet ben.

Overigens lijkt het alsof dat precies gebeurd is. Amsterdam ligt volledig open, alsof het kapot gebombardeerd is. Afghanistan aan het IJ. Overal om mij heen gigantische bouwputten. De heipalen klinken alsof ze gaten naar China aan het beuken zijn. Ze zijn bezig met de Noord-Zuidlijn. Wellicht dat de kinderen van mijn zoon het nog mee zullen maken dat ze met een metro van Noord- naar Zuid-Amsterdam kunnen. De wind blaast me van de weg af. Ik land voor het megalomane boekenpaleis.

Een schitterende vrouw, met krullen zo zwart als een maanloze prairienacht, stort zich op mij als een hongerige wolvin. Ze praat Engels met een Frans accent. Of dit het postkantoor is. Jezuschristusmariamoedervangod. Zo’n duizend jaar geleden, toen de tandeloze oma van de oma van Gijsbrecht van Amstel in deze contreien haringen sabbelde en bietjes pootte, toen stond hier nog een postkantoor. De vrouw laat een verfomfaaid briefje zien en kijkt tegelijkertijd naar achteren. Een auto met een Frans nummerbord rijdt met een noodgang achteruit. Ik denk aan André van Duin en verwijs haar naar de Raadhuisstraat. Wild gesticulerend, als een panikerende aap, maant de vrouw de auto tot stoppen. Maar die blinde kip van een bestuurder rijdt gewoon door. De vrouw rent er als een bezetene achteraan.

Binnen zoek ik de rest van de dag naar Stijloefeningen van Queneau. Ik ben er al een kleine eeuw naar op zoek, dus één zo’n dag kan er nog wel bij. Maar nergens te vinden. Ik haal de hele bibliotheek overhoop. Niks. Ik kijk in de computer. Ik ben nog geen nanoseconde op zoek en zie tot mijn stomme verbazing dat er wel degelijk een exemplaar op de planken zou moeten liggen. Ik leg dit voor aan een medewerker die met me meeloopt om te kijken. Maar Stijloefeningen van Queneau is in geen velden of wegen te bekennen. De medewerker adviseert een mailtje naar het magazijn te sturen. Dan moet je wel nog een halve dag op antwoord wachten, maar dan heb je het wel. Ik doe wat me gezegd word. Zo ben ik. Een kleine twee uur en nog iets later krijg ik een mailtje terug. Het gevraagde boek is niet in het magazijn aanwezig maar ligt op de plank, op de tweede verdieping, bij de Q van Queneau, waar ik net acht uur heb lopen zoeken totdat ik een fractie van een ons woog.

Ik keer huiswaarts. Moegestreden. Ik voel me als een soldaat in niemandsland. Kapot geschoten hang ik in het prikkeldraad. Te zwak om te schreeuwen, te moe om m’n laatste adem uit te blazen. In een winkel op het Bos en Lommerplein, op kruipafstand van mijn woning, vind ik schoentjes voor mijn zoontje.

4 responses

  1. Heel mooi, ook deze weer. Maar de wetten vereisen dat je die hyperbool ook in élke zin toepast. Dus klopt je eerste zin niet. Je had bijvoorbeeld zo kunnen beginnen: ‘Stelletje bunzingen: wat kunnen mensen in bussen ranzig stinken. Ferm stap ik de bus uit, met aan mijn rechterhand mijn 1-jarige zoon, die handig met mij meelaveert tussen de miljarden etc.’ Of enige andere vorm van overdrijving.

  2. Eerst dacht ik, waarom doen wat Queneau en Kousbroek al zo goed hebben gedaan. Maar nu zie ik dat hier iets heel moois begint te groeien.

Laat een reactie achter bij Ben Hoogeboom Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *