Stadsreiniging

Toen ik nog op de Hugo de Grootkade woonde, wilde ik eens op zondag een vuilniszak buitenzetten. Nadat ik mij zou hebben ontdaan van de vuilniszak, zou ik naar het café gaan. Ik stapte op de fiets, zette de vuilniszak op m’n stuur en fietste de brug over naar de dichtstbijzijnde vuilcontainer.

Een man en een vrouw kwamen er juist van terug. Met twee vuilniszakken. Dat dit een beetje eigenaardig was, besefte ik toen nog niet. Bij de container stond iemand van de stadsreinigingsdienst. Het was een neger. Ik kwam aanfietsen met mijn vuilniszak, zag de neger en groette hem. Hij groette mij terug.

“Woont u hier”, vroeg hij. Ik haalde de vuilniszak van m’n stuur.

“Ja”, zei ik, “ik woon hier.”

“Dan is het goed”, zei de neger. Ik deed de klep van mijn container open.

“Ho eens even”, zei een collega van de neger, terwijl hij de deur van z’n stadsreinigingskarretje dichtgooide. Het was een wat oudere blanke man, die zich duidelijk de meerdere van de neger voelde. Vermoedelijk was hij degene die hun stadsreinigingskarretje mocht besturen. Hij was lang en dun en had een snor. “Weet u wel zeker dat u hier woont?”

“Ja”, zei ik, “dat weet ik zeer zeker. Over het bruggetje, om precies te zijn.” Ik wees naar mijn huis.

“Dat bedoel ik”, zei de oudere stadsreiniger, “over het bruggetje. En welk stadsdeel is dat?”

“Westerpark”, zei ik.

“En in welk stadsdeel bevinden wij ons momenteel?”

Ik keek op het straatbordje dat zich achter mij bevond. “In Oud-West”, las ik hardop voor.

“In. Oud. West”, herhaalde de stadsreiniger. “En wat betekent het dat wij ons in Oud-West bevinden?”

Ik moest het antwoord schuldig blijven.

“Dat betekent dat wij hier onze vuilnis niet kunnen storten.”

“Maar ik woon daar”, zei ik, terwijl ik nogmaals naar mijn huis wees.

“Dat kan wel zijn, maar als wij allemaal vuil gaan storten op plekken waar wij geen vuil mogen storten, dan is het einde binnen de kortste keren zoek.”

“Maar waar moet ik dan mijn vuilnis storten?”

“Daarover moet u met stadsdeel Westerpark bellen.”

“Maar het is zondag.”

“Of u wacht totdat u de vuilnis buiten kan zetten.”

“Maar ik wil m’n vuilnis nu kwijt.”

“Tsja, dan zult u toch echt met Westerpark moeten bellen.”

“Maar het is zondag. En dit is de dichtstbijzijnde vuilniscontainer. Ik kan toch wel voor een keertje hier…”

“Luister meneer, als iedereen hier zijn vuil zou storten, is het einde binnen de kortste keren zoek. Ik heb die regels niet verzonnen.”

Ik had er geen zin meer in. Er de kracht niet voor, om met de grote filosoof G. Joling te spreken. Ik mompelde wat verwensingen, stapte op m’n fiets, gooide m’n vuilniszak op m’n stuur en fietste weg, op zoek naar de eerste de beste vuilcontainer. Die vond ik, na een zwerftocht over Bloemgracht, Rozengracht en Elandsgracht, een kleine twintig minuten later aan het begin van de Kinkerstraat. In Oud-West.

3 responses

  1. Kwou net zeggen dat dit eigenlijk een stuk voor AT5 is.

    Regels zijn regels, meneer Molovich. Als we dat aan u toestaan, dan moeten we dat bij de volgende ook, en waar moeten we dan ophouden? Dan krijgen we Nederlandse, eeh Belgische toestanden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *