De geinponem

Hij zag eruit als een kruising tussen Joop Doderer en die dunne van Peppie en Kokkie. Hij had een gigantische zuipneus. Hij had een klein mutsje op, model Jacques Cousteau. Hij had enorme klauwen waarmee hij R. op z’n schouder ramde. We zaten in café In de Wildeman.

‘Hé!’ zei hij. ‘Zal ik jullie eens een mop vertellen? Ja? Houden jullie van moppen?’
Ja, daar hielden wij wel van.
‘Kennen jullie de Bijenkorf? Hè? Kennen jullie die, de Bijenkorf?’
Ja, daar hadden wij wel van gehoord.
‘Ik stond laatst in de lift, hè, in de Bijenkorf. En daar rook het enorm naar sperma. Jaja. Een lucht! Niet te harden. Spermalucht. Dus ik kijk achter me, staat daar zó’n manwijf. Dus ik zeg tegen dat manwijf, ik zeg, gatvurredamme, wat ruikt het hier naar sperrema! Zegt dat manwijf, zegt ze: ik heb net een boer gelaten. WHAHAHAAAAAA!!!’
Zijn stem was schor van het al die jaren lachen om zichzelf. Wij lachten hard mee. Wijd opengesperde ogen keken mij aan, daaronder die gigantische gok en daaronder een zo ver mogelijk opengetrokken bek. Het licht glinsterde in de speekselslierten. Ik kreeg een klap op m’n schouder.
‘Vond je ‘m leuk, vond je ‘m leuk? Ja, ik hou van een dolletje. Altijd lachen met mij. Je moet zo vaak mogelijk lachen in het leven.’
‘En dat gebeurde allemaal in de Bijenkorf?’ vroeg ik.
‘Nee man! Dat was een mop! Willen jullie nog een mop horen? Hé, willen jullie er nog een horen?’
En of wij dat wilden.
‘Kennen jullie de ViaVia? Hè? Kennen jullie die, de ViaVia?’
Ja, die kenden wij wel.
‘Ik heb daar een advertentie in gezet: ‘Likken, zuigen of beffen? Bel Willem effe!’ HAHAAAA!! Snap ie ’m, snap ie ’m? Dat ben ik, Willem!’
Wij gierden het uit.
‘Hoe heet jij? Wat is je naam? Max? Nou, dan kan jij een advertentie zetten met ‘Likken, zuigen of beffen. Bel Max effe’. HAHAAAA! Ja, het is lachen met mij hoor. Altijd al geweest. Vroeger stuwadoor geweest.’
‘Nou, da’s ook toevallig,’ zei R. terwijl hij op A. wees, ‘hij is ook stukadoor!’
‘Nee’, zei Willem, ‘geen stukadoor: stuwadoor!’ Hij bood A. z’n hand aan. ‘Overal heb ik gewerkt. In de havens. Veel in de havens. En in de NAM. Kennen jullie de NAM?’
‘Vietnam?’ zei ik, ‘ja, dat ken ik wel.’
‘Hè?’
‘Vietnam, dat land.’
‘Nee man! Niet Vietnam. De NAM!! Nederlandse Aardolie Maatschappij! Wat een kankerlui daar. Weet je wat je daar krijgt te eten? Jam! Appelstroop! Hagelslag!  Hier, moet je kijken. Al m’n tanden weggerot! Nee, dan die Scandinaviërs, als die op een schip zitten, krijgen ze zúlke bergen vlees. Ik zweer het je, zulleke bergen vlees. En waarom kan dat bij ons niet? O wacht even, de bedrijfsleider belt.’
‘Wil die gebeft worden?’ vroeg A. Hij hoorde het niet. Gelukkig maar, want volgens R. bedoelde hij met ‘de bedrijfsleider’ zijn vrouw.

‘Jullie hebben het toch niet over mij hè?’
Wij hadden het alléén maar over hem gehad.
‘Zal ik jullie nog een mop vertellen? Hè? Zal ik er nog een vertellen?’
Nou, vooruit dan maar. Hij ging in z’n moppentaphouding staan. Handen in de zij, het linkerbeen een beetje naar voren, het bovenlichaam naar achteren hellend, steunend op het rechterbeen. Alsof hij iets van een afstandje aan het beoordelen was.
‘Komt een temeier bij de dokter. Een temeier, een hoer. Een ouwe hoer, van zeventig jaar. Zegt die hoer tegen die dokter, zegt ze dokter, ik heb de laatste tijd zo’n pijn in m’n onderbuik, weet je, in m’n onderbuik… doet het pijn de laatste tijd. Nou, ga maar even in die stoel liggen, zegt de dokter. Zij erin. Met d’r benen in van die beugels, ja?! Die beugels, haar benen erin. Kijkt die dokter, die kijkt zo recht in d’r kut. HAHA! Zo in d’r kut. En hij ziet daar zo van die gigantische lellen uit die kut hangen. Van die lellen, ja! Dus die dokter zegt, hij zegt: er hangen gigantische lellen uit je kut. Uit je kut! Gigantische lellen! Dus die vrouw zegt, ze zegt lellen? Hoe bedoelt u lellen? Nou, uw schaamlippen zijn helemaal uitgerekt, zegt die dokter, gigantische lellen zijn het geworden. Zegt die vrouw, zegt ze: o, die lellen, daar hang ik altijd m’n kousen aan! HAAAHAAAAAAAA!!!!’
Wij proestten het uit.
‘Ja, ik hou van een dolletje. Ik ken er duizenden hoor, van die moppen. Echt waar, met mij ken je lachen! Kom ik er even bij zitten. Ik krijg nieuwe heupen, binnenkort. Kost niks meer tegenwoordig. Voor driehonderd uuro ben je klaar. Eigenlijk doet het pijner als ik zit als dat ik sta, maar nu moet ik toch even zitten. Ik sta de hele dag al. Maar mij hoor je niet klagen hoor. Niks nie. Met mij ken je lachen. Echt waar. Altijd al zo geweest. Kom ik een keer terug van m’n werk fietsen, staat daar de politie. Moet ik afstappen. Zegt ie: je licht doet het niet. Ik zeg, ik heb dat licht net uitgedaan. Zegt die politieagent, zegt ie: hoe bedoel je? Zeg ik: ik heb het net uitgedaan. M’n licht. Zegt die agent: maar je hebt helemaal geen dynamo op je fiets zitten! HAHAA!! Ik zeg, ik heb het licht net uitgedaan, hij zegt, je hebt er helemaal geen dynamo op zitten. HAHA! Ik kon ‘m dus helemaal niet uitzetten. Snap ie ‘m?’
Wij snapten ’m. Hij was goed.
‘Hierachter ben ik ook wel eens aangehouden. Zeg ik tegen die agent, zeg ik: Het Kip of het Ei! Ken je dat programma nog? Het Kip of het Ei?’
Wij kenden het niet.
‘Kon ik zo meekomen. Moest ik de bak in. Tussen de junkies en criminelen! Dat geloof je toch niet?! Door dat tv-programma.’
Dat was inderdaad niet te geloven.

Een wat oudere geblondeerde vrouw kwam binnen. Type schoonmoeder van André Hazes die door de motregen wandelt.
‘Hé Coby! Kom ‘s lekker bij me op schoot zitten.’
‘Even een wijntje bestellen.’
‘Kom nou gewoon even op schoot zitten.’
‘Eerst even een wijntje bestellen.’
R. en A. moesten helaas weggaan. Naar Ajax tegen Español. Ze namen afscheid. Ik bleef alleen achter met Willem en Coby.
‘Jullie mogen best verder praten hoor,’ zei Coby, ‘ik staar wel een beetje voor me uit.’
‘Bent u gek,’ zei ik. ‘Smaakt het wijntje?’
‘’Wel een beetje raar,’ zei Coby, ‘het is m’n eerste wijntje in drie weken. We hadden afgesproken niet meer te drinken. Maar de dokter zei, neem gerust maar weer een wijntje, Coby.’
‘Dit is ook mijn eerste biertje,’ zei Willem.
‘Ik geloof er niks van. Je bent hartstikke bezopen. Ik zien het wel.’
‘M’n eerste biertje van de dag. Ik heb een sportschool voor je gevonden. Dertig uuro per maand. Da’s niet duur hè? Ja, ze sport veel.’
‘Ik heb m’n hele leven gesport. Getennist. Gegolfd. In Australië.’
‘Elke week zwemt ze vijftig baantjes.’
‘Goh, komt u uit Australië?’
‘Dertig jaar gewoond.’
‘Vijftig baantjes, ik vind het knap hoor.’
‘En nu kan ik hier niet meer aarden. Heimwee. En als ik daar ben, heb ik heimwee naar hier. Het is heel raar. Ik weet niet hoe het komt. Ik woon in de Haarlemmerstraat, maar als ik daar ’s morgens voor het raam ga staan, en ik kijk zo naar de straat en naar alle mensen die mij kennen zien, dan voel ik me net een hoer.’
‘Zelf sport ik niet. Nooit gedaan ook. Ik heb m’n werk altijd gehad. Veel in de havens gewerkt.’
‘Gaat u nog wel eens naar Australië?’
‘Dit jaar zou ik nog gaan. De zevenentwintigste. Maar ja, hij wil mee. En da’s gewoon te duur. Net als vorig jaar, toen ging ie ook mee. Maar het maakt niet uit hoor. De helft van m’n familie woont hier. De andere helft woont daar. Maar ik kan bij beide niet meer aarden. Ik weet niet hoe het komt, maar het is gewoon zo. Ik zou wel willen, naar Australië. De zevenentwintigste zou ik ernaar toe gaan. Maar ja, als ik daar ben, wil ik weer hier zijn.’
Willem kneep bijna z’n glas fijn.
‘Alles heb ik toen zelf betaald. Ik heb alles zelf betaald, hoor je me?’
Hij pakte me bij m’n schouder vast.
‘Ik heb alles zelf betaald. En ik heb heel d’r huis verbouwd.’
‘Gestuukt?’ vroeg ik.
‘Geverfd,’ zei Coby.
‘Maar ik heb alles toen zelf betaald!’
‘Doe es rustig, we hadden het helemaal niet over jou. Je bent weer bezopen, ik zien het wel.’
‘Dit is m’n eerste biertje!’
‘Ik geloof er niks van.’
‘Naar welk café gaan we zo?’
‘Wij gaan naar huis, zo.’
‘Wij gaan helemaal niet naar huis! Wij gaan naar een volgend café.’
‘Maar ik wil niet naar dat ene café.’
‘We gaan niet naar dat ene café. We gaan naar een ander café. Dat ken jij niet. Maar jij gaat er wel zo heen. Samen met mijn. Met de tram.’
‘Is hij thuis ook zo’n grappenmaker?’ vroeg ik.
‘Nee,’ zei Coby, ‘thuis zegt ie nooit wat.’

8 responses

  1. Verrek! Nu je het zegt. Vandaar natuurlijk dat ie zo vaak bij de NAM kwam.

    Had er nog nooit van gehoord, van een stuwadoor. R. kennelijk ook niet.

    • Heb het nagevraagd bij R. Die had wel degelijk ‘stuwadoor’ verstaan en maakte toen het grapje omdat A. stukadoor is. Ik heb het maar veranderd. Dit for the record.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *