Het paard van Sinterklaas


Het was koud in de werkplaats. Er brandde geen kachel en behalve het zwakke licht van een kaars was het er verder donker. Midden in de bijna lege ruimte stond een metalen werktafel. Zes mannen, zittend op lege olievaten waren met elkaar in overleg, op gedempte toon.
Buiten huilde een koude oostenwind en door het dakraam was te zien hoe de donkere wolken met grote snelheid langs de heldere maan joegen. Het gehuil van de wind, het rammelen van de grote houten deur, het kraken en piepen van de werkplaats en het zwiepen van de boomtakken op de binnenplaats maakten dat alles wat de mannen bespraken niet verder kwam dan de tafel waaraan zij zaten.
‘Het is een krankzinnig avontuur! Willen jullie dan allemaal godverdomme tegen de muur gezet worden?’ De 63-jarige Johannes de Boer keek woedend de kring rond. Even was het stil. Het leek zelfs of de wind een adempauze hield.
‘Ik zeg dat we het moeten doen,’ sprak Evert de Vries.
‘Luister nou,’ ging Johannes de Boer verder, ‘nog een paar weken en de oorlog is voorbij. De geallieerden zullen snel komen. Nederland is al voor de helft bevrijd. Waarom nu nog deze krankzinnige actie?’
‘Waarom?!?’ siste Evert. ‘Uu vraagt mij waarom? Kijk om u heen! De stad is verlamd, de mensen hebben honger, kinderen sterven op straat. Waarom, vraagt u mij??’ Johannes de Boer stond op, sloeg met een vuist op de metalen tafel en riep: ‘Ik verbied het jullie, hoor je me!! Ik verbied het jullie!’
‘Ga zitten, vader,’ sprak Johan de Boer junior kalm, ‘u heeft niets te verbieden of iets goed te keuren. U doet mee, of u doet niet mee.’ Johannes de Boer keek zijn zoon een ogenblik woedend aan, maar realiseerde zich dat hij onmachtig was ook maar iets aan de voorgenomen plannen van de vijf jonge mannen te veranderen en ging met een gelaten zucht weer op het lege olievat zitten.
Willem Warmedam, bij de anderen beter bekend als ‘de schipper’ boog zich voorover, hield de sigarettenpeuk die tussen zijn lippen geklemd zat een ogenblik in de kaarsvlam, nam een grote haal, inhaleerde en blies de rookwolk recht omhoog. De anderen keken de rook na die snel verwaaide in de tochtige ruimte. ‘Goed,’ sprak hij, ‘we hebben dus een afspraak?’ De aanwezige mannen knikten, behalve Johannes de Boer. ‘Meneer de Boer?’ vroeg de schipper nadrukkelijk. De Boer zweeg en keek stuurs voor zich uit. ‘Vader!?’ vroeg Johan de Boer dwingend.
‘Ok, goed. We hebben een afspraak,’ antwoordde Johannes de Boer berustend.
‘Mooi,’ sprak de schipper plechtig, ‘dan stel ik voor dat ik het plan verder aan jullie uitleg.’
Om half acht, vroeg genoeg voor iedereen om voor spertijd thuis te geraken verlieten de mannen, één voor één en met korte tussenpozen de werkplaats.
Het was vrijdagavond 1 december 1944.

Woensdag 6 december 1944, 17.45 uur
‘Godverdomme!! Schiet nou toch op Sint!!’ riep de grootste zwarte Piet met angstige stem. ‘We moeten hier weg, nu!!’ Sinterklaas keek voor de laatste keer in de spiegel die in de toiletruimte hing en gaf aan dat hij klaar was. Vanuit de gang hoorden zij gebons op de deur en konden zij stemmen horen. ‘Ok, laten we gaan,’ sprak Sinterklaas. Eén der zwarte Pieten ging voor het gezelschap uit de gang in, liep langs de deur waarachter het gebons en geroep klonk en liep snel naar de achterzijde van het gebouw, opende voorzichtig de deur naar de steeg, spiedde naar links en rechts en wenkte de rest met hand, ten teken dat de kust veilig was.
In de steeg stond een paard, met het leidsel vastgebonden aan een schutting. ‘Ok, kalm nu, kalm nu!’ fluisterde een van de Pieten, ‘Sinterklaas, kom!’ De Pieten hielpen Sinterklaas op het paard, gaven hem de goudkleurige staf en in een stoet liepen vijf zwarte Pieten en Sinterklaas de steeg uit en sloegen rechtsaf, de straat in.

En hoewel de mensen honger hadden, de armoedige kleding nauwelijks bestand was tegen de bijtende kou, de zorgen en ellende groter waren dan dat zij ooit hadden meegemaakt, keken de meesten met een verbaasde glimlach naar de stoet die voorbijtrok.
Iemand kon het zich blijkbaar nog veroorloven. Een echte Sinterklaas, echte zwarte Pieten en zelfs een heus paard. En dan die grote, volle juten zakken!
De stoet van Sinterklaas was de eerste straat nog niet uit of er klonk een snerpende fluit gevolgd door een luide stem die riep: ‘HALT!! STEHEN BLEIBEN!! STEHEN BLEIBEN! HÄNDE HOCH!’ Gestamp van soldatenlaarzen klonk door de straat en een dozijn Duitse soldaten kwam met getrokken wapen aangerend. ‘Godverdomme!! Rennen!!’ riep een van de zwarte Pieten. Hij liet het paard, dat angstig begon te snuiven met de oren plat in de nek, los en ging er vandoor. Er klonken schoten. Het paard steigerde, de Sint viel ruggelings van het beest en het hoofd van de goedheiligman smakte met een doffe klap tegen de kasseien. Hij schreeuwde niet, maar kreunde even en bleef toen doodstil liggen. Twee zwarte Pieten vielen geraakt door kogels neer, één sprong er op het ijs van de bevroren gracht, gleed uit, krabbelde overeind en viel, geraakt door mitrailleurkogels terug op het ijs. Van onder zijn hoofd kleurde het witte ijs donkerrood.
De andere twee Pieten bleven staan, deden hun handen omhoog en werden door de soldaten met grof geweld tegen de grond gesmeten.
Een juten zak was opengesprongen en honderden voedselbonnen fladderden door de straat.
Het paard zette het nu het bevrijd was van de last op zijn rug op een lopen. Eén van de soldaten schoot nog op het arme beest, dat klagelijk gilde en nog harder begon te rennen ten teken dat hij geraakt was.

Woensdag 6 december 1944, 18.13 uur
Omdat zij honger hadden at iedereen, inclusief de kleintjes, alles wat op het bord geschept werd op. Een hompje ‘regeringsbrood’ en een schep waterige pap van suikerbiet. Het was niet veel, het brood smaakte vies, maar de pap was warm en het vulde enigszins de maag.
Vader Van Kuijken, zijn vrouw en hun vier kinderen, waarvan de jongste Alida leed aan een aanval van astmatische bronchitis, zaten aan de keukentafel (de keuken was nu eenmaal minder moeilijk behaaglijk te krijgen) toen het geluid van beslagen paardenhoeven tot hen doordrong. ‘Shhhtt, stil eens!’ zei Huub, de oudste, ‘ik hoor een paard!’ De kinderen wilden opstaan om vanuit de huiskamer te kijken naar waar het geluid vandaan kwam maar vader hield hen tegen. ‘Zitten blijven!’ zei hij streng. Vader Van Kuijken stond op, liep naar de kamer en keek door het raam naar buiten. Zij woonden op de tweede etage. De straat liep halfrond, met een grasperk in het midden met daaromheen hoge huizen. Hij geloofde zijn ogen nauwelijks. Er liep een paard door de straat! Er waren nauwelijks paarden meer, en als je er al een zag dan liep dat paard niet zonder begeleider. Het paard hinnikte en snoof. Het arme beest liep van de straat het kale perk op, zakte door de benen en viel op zijn rechterzij. Het hief zijn kop op, deed een poging om bij zijn achterlichaam te komen maar liet toen zijn kop langzaam op de grond zakken. Het beest dampte in het zwakke licht. Vader Van Kuijken zag bloed stromen uit zijn achterflank. Gordijnen in de andere huizen schoven voorzichtig opzij. Een deur aan de overkant ging op een kier. Heel even stond Van Kuijken in dubio. Zou hij weer teruggaan naar de keuken, naar zijn gezin? Doorgaan met de ‘maaltijd’? Of zou hij… ‘Frank?’ riep zijn vrouw, ‘wat is er aan de hand?’
Frank van Kuijken nam een besluit. Hij rende terug naar de keuken, siste tegen zijn vrouw dat zij de kinderen in de keuken moest houden en greep het scherpste keukenmes.
In vier stappen was hij, gewapend met zijn mes beneden. Hij greep de metalen teil uit de kast in de gang, opende de deur en snelde naar buiten.
Dat hadden een aantal buren inmiddels ook besloten. Drie mannen stonden al bij het beest, en nog een stuk of vijf waren onderweg. Frank van Kuijken keek zijn buren aan. Eén van hen, Jan-Kees Bergsma zei met trillende stem: ‘Dit kunnen jullie niet maken jongens!’ ‘Houd je bek!!’ siste Jaap van Galen, die machinist van beroep was. De groep mannen was gegroeid tot zes en zij knikten zwijgend naar elkaar. Frank van Kuijken liep naar de kop van het hijgende en snuivende paard, greep de manen beet en zette zijn mes resoluut in de keel van het arme dier. Heel even klonk een snijdende gil, daarna nog slechts een paar seconden gereutel en toen was het beest dood.

Frank van Kuijken sneed een enorm stuk vlees uit de warme bil van het paard en legde het in de metalen teil. Een buurman zette het mes in de buik, een ander begon te snijden waar Frank van Kuijken gestopt was. ‘Je moet er wat buikvet bij doen voor het braden!’ riep een van de mannen die uit een familie van slagers kwam. Het veldje kleurde rood in een orgie van bloed en ingewanden. Met soms wel vijf man tegelijk was men bezig het paard in transporteerbare stukken te snijden. Niemand sprak, niemand lachte en niemand keek een ander aan.
Nog geen kwartier later was het weer stil in de straat.

Toen Frank van Kuijken weer boven kwam, en de teil met bloederig vlees op het aanrecht zette waren de anderen klaar met eten.
‘Wat heb jij daar nou?’ vroeg zijn vrouw.
Frank van Kuijken keek een ogenblik zijn kinderen aan, richtte zich tot zijn vrouw en zij: ‘Het was het paard van Sinterklaas, en het bracht ons een cadeau.’
En op een vuur gestookt van de laatste planken van de eiken linnenkast werd die avond de heerlijkste biefstuk gebraden die het gezin Van Kuijken ooit had geproefd.

5 responses

  1. Ik dacht altijd dat 6 december de officiële naamdag van Sinterklaas was. Niet zijn verjaardag, juist zijn sterfdag, want dat is, als ik het goed heb (Ben??) de naamdag voor katholieke heiligen. Het heerlijk avondje wordt in Nederland de avond voor Sinterklaas’ naamdag gevierd. Waarschijnlijk om hem op zijn sterfdag de rust te gunnen die een dode verdient. Wat overigens buiten de Belgen is gerekend, die Sinterklaas op 6 december vieren, zoals het eigenlijk hoort, en zoals wij kennelijk deden tijdens de oorlog.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *