Deo Volente

Mijn oudste vriend D. is van adel. Hij heeft een naam van hier tot Tokio die hij uit nederigheid, praktische overweging, of zelfs luiheid, zo u wilt, op spijtige wijze afkort tot een hapklare en kapsonesloze brok.

Zijn vader was psychiater en zijn moeder de eerste westerse boeddhist die ik ooit tegenkwam.

D. woonde bij de nomadenvlakte achter Artis, in een immens binnenvrachtschip, de Deo Volente, dat we met z’n allen verschrikkelijk hebben benut voor allerlei doeleinden. Er werden grandioze feesten in de romp gegeven, en met de latere mijnheer Oud Zeikwijf begon D. er een mestwinkel, met poep van de dieren van Artis. We tekenen hierbij aan het noemenswaardige feit dat D. 15 jaar lang ons beider beste vriend is geweest, zonder dat mijnheer Oud Zeikwijf en ik elkaar maar één keer bij hem troffen. Blijkbaar ging ik telkens net weg als hij binnenkwam of andersom. Uiteindelijk gebeurde dat wel, en sloeg de bliksem terstond in. Je kan dus best stellen dat een belangrijke gemeenschappelijke noemer tussen mijn eega en ik – rectificatie: tussen àl mijn eega’s en ik -, onze diepe genegenheid voor D. was. En dat Gods wegen inderdaad verdomd ondoorgrondelijk zijn. Komt nog bij dat D. zijn vrouw ontmoette toen ze beiden op bezoek bij mij waren, nu een jaar of 22 geleden. Ze vertrokken en bleven van toen af samen. We hebben hier duidelijk te maken met iets onomstotelijks op het gebied van de karma.

Hij was leuk als jonkie. Energiek en vrolijk, altijd in voor iets boeiends. Zoals met Mijnheer Oud Zeikwijf een boomhuis maken, in een van de grote iepen van het Waterlooplein, en daarin daadwerkelijk gaan wonen. Mijnheer Oud Zeikwijf was destijds nog niet mijnheer Oud Zeikwijf maar minister van Volkshuisvesting van de Reagering, de leukste politieke partij van het post-Kabouterstijdperk. Het wonen in een boom was een voorbeeld van hoe je bij het ontwerpen van woonruimte je rekenschap van de omgeving kon geven. Post van fans werd steevast gestuurd naar ‘Boomhuis, Waterlooplein, Amsterdam’ en kwam ook echt aan. Dat uw eigen Ouwe Zeikwijf op datzelfde moment, volkomen onwetend van dit feit, zelf een allermerkwaardigste hut als woning op het water aan het breien was, is één van de vele bizarre overeenkomsten in ons voor-echtelijk verleden. Dat we ons van Burgerzaken allebei op onze respectieve onvoorstelbare adressen mochten inschrijven toont de onherroepelijk verloren grootsheid van dat ambtelijk apparaat aan. D. had zichzelf tot partij-ideoloog van de Reagering benoemd en tot onderdeel van de ideologie gemaakt dat zij het binnen de partij nergens over eens hoefden te zijn. Later heeft Mike von Bibikov als partijleuze uitgeroepen: ‘Wij beloven niets en daar houden we ons aan.’

Onze jonkheer was constant in de weer met iets creatiefs, voornamelijk rondom de Pleinwerker, een gekraakt kunstenaarshonk bij het Waterlooplein, met als meest noemenswaardige wapenfeit de expositie van filmblikken. Hij had een partij ronde platte blikken gekregen van een diameter van pakweg 40 cm, reusachtige camemberts van ijzer waarin oorspronkelijk filmrollen werden bewaard. Hij vroeg tientallen kunstenaars uit onze kringen (o.a. Cokkie Zouteriks, Véronique le Guénanff, Claudio di Giusto, Hugo Kaagman, Jan Bianchi, Maurice D.) om elk een filmblik naar gelieve te beschilderen, en zo ontstond een geweldige collectie van uitzonderlijke kunstwerken. Had onze toenmalige collectieve kwelgeest Taartje niet tientallen blikken de gracht in gekieperd, dan was die verzameling nu een uniek, welkom en treffend document van de kunstzinnigheid anno 1980 in Amsterdam.

Je zag D. nooit zonder Druiloor, een hond als een uit de kluiten gegroeide dweilmop, die onvermoeibaar kriskras door Amsterdam rende naast de fiets van zijn baas. Het appartement dat D. kreeg na het hieronder beschreven Dansen om het Vuur-incident, was dan ook steevast vol vlooien. Ik had een sleutel en mocht er onaangekondigd vluchten in momenten van nood, wat ik zo nu en dan ook deed. Zo’n vriend was hij.

D. kwam uit een lieftallige familie uit het keurige Zuid. Hij droeg schone kleren en gepoetste schoenen van leer, was evenwichtig en kalm, en kon de moeilijkste wereldzaken met een verbluffende helderheid uitleggen. Ik heb hem dan ook altijd als een rots in de branding beschouwd, mijn houvast in bange dagen. Ik presteerde het om me voortdurend in te laten met de bizarste figuren. Mijn hokplekken waren zodoende meestal gespeend van het gevoel voor veiligheid dat een huis een thuis maakt. Een constante tussen al die opeenvolgende leefmilieus van mij was D., die, overal waar ik zat, regelmatig ‘s avonds aan kwam waaien op zijn zwarte herenfiets, met Druiloor aan zijn zijde, bij voorkeur onder de stromende regen. Hij was blijkbaar bevriend met al mijn scharrels. Hij belichaamde de Vastigheid in mijn bestaan, het Bewijs dat niet alles was verloren, de Glimp van de Gewone Wereld.

Zo verscheen hij ook eens per week bij ons in de Pijp, toen ik daar samenwoonde met mijn eerste echtgenoot (tevens notoire junk en onuitroeibare lastpak) bij zijn schoolvriend Yusuf Yildirim de Vries. Het stonk er naar kattenpis en Turkse koffie. Nicole O. was er soms bij, die bezoeken, of Kees K., of Don Bierman (de enige echte oprichter van de Reagering), en dan speelden we Mah Jong. Yusuf was de eerste moslimbekeerling van Amsterdam. Als we samen naar de Albert Cuyp gingen, dan moest ik vier passen achter hem lopen, wat ik zonder morren deed, omdat het zo van de pot gerukt was en ik mezelf buiten religieuze onderdrukking vond staan, maar vooral omdat Yusuf zo’n goedaardige dombo was dat je de erg daarvan niet zag, enkel het komische.

D. als de enige normaal mens te midden van gekken, dus. Groot was mijn verbazing toen Jan Bianchi mij halverwege de jaren ’80 kwam vertellen dat D. in het gesticht in Santpoort was opgenomen. D.? In het gekkenhuis? Dat kon niet. Maar het bleek waar te zijn. Hij had op een wilde nacht een vuurtje gestoken, op de weide voor zijn boot. Gegrepen door een vlaag van avontuurlijke zin had hij één bij één al zijn kleren getrokken en was hij poedelnaakt gaan rennen en declameren. Ik vond dat destijds (en nog steeds) geen reden om iemand in het geestesgevang te gooien, maar mijn mening werd niet gevraagd. Het zou zo maar kunnen dat de noodlottige afloop van het incident – de Deo Volente ging in vlammen op – meegewogen heeft in de beslissing tot hospitalisatie.

Hij kwam eruit als een gelouterd mens met een fris gewassen ziel. Het Grote Spelen ging door, al moest dat naast het studeren, want hij had zich aangemeld bij Europese Studies in Den Haag. Twee voor die tijd onbegrijpelijke gegevens, voor ons jongelui in Amsterdam. Den Haag! Wat had je te zoeken in suffe Den Haag terwijl Magies Centrum Amsterdam nog voelbaar vibreerde? En Europese Studie! Wat een gotspe: niemand had ooit gehoord van Europa; wat moest D. ermee? ‘Diplomaat worden’, antwoordde hij dan, en dat snoerde ons effectief de mond.

Hij is nu boekhouder, getrouwd en heeft twee dochters die qua stijl niet onder doen voor zijn jeugdige zelf. Hij maakt de onnavolgbare inkomenssprongen van wat nog leeft uit onze toenmalige kunstzinnige vriendenbestand verteerbaar voor de belasting. Wij zijn hem dat allemaal zeer erkentelijk. We hebben immers altijd geweten, zelfs in de donkerste dagen, dat de woorden van zijn vader – ‘Het komt uiteindelijk goed met hem’ – een grote kern van waarheid bezaten.

Met Druiloor is het juist niet goed gekomen: hij is jaren geleden gestorven en begraven, en vervangen door een nieuw exemplaar met veel minder haar en charisma, dat nimmer naast de fiets van D. rent, en zeker niet in de stromende Novemberregens.

12 responses

  1. Maurice Di. Een aantal jaren geleden (10?) zag ik zijn overlijdensadvertentie in de krant staan. Ik kende hem van Kerwin, the poem, waar ik nog bij betrokken was (bij het boekje bedoel ik). Had niet verwacht dat ik zijn naam hier zou zien opduiken.

    • Van Kerwin Duinmeijer ja. Dat is lang geleden, 1986 denk ik. Ik heb druk 1 en (de uitgebreiden) druk 2 nog. Dat gedicht van die link is toen vertaald in zoveel mogelijk talen. Er moesten dus vertalers/dichters gezocht, er moest getypt, gelay-out worden, er moest gefinancierd, er moest gedrukt (geraapt, geniet) en er moest uiteindelijk getransporteerd en afgeleverd worden.

  2. Als er voor 2010 een prijs zou worden uitgeloofd voor het beste verhaal dat in Nurks heeft gestaan, zou ik dit verhaal nomineren. Werkelijk steengoed, van begin tot eind. Nog beter dan dat verhaal over die ezelin, en dat was ook al zo goed.
    Ik hoop maar dat er nog veel meer komt.

    • Jeuj. Probeer maar eens niet naast je schoenen te gaan staan na zo’n overdaad aan complimenten! Om je vraag te beantwoorden: Ja, er komt nog veel meer van dit soort verhalen. Dat moet van de Dude.

  3. Dat komt door bepaalde zinnetjes, Berend. Neem haar eerste zin alleen maar: mijn oudste vriend D. was van adel. Dan denk je: dat kan leuk worden! Van adel! Maar verderop lees je alleen maar iets over een jonkheer uit Amsterdam-Zuid.
    Zo heeft ze meer dingen. Die Druiloor, die onder de luizen zat. Daar had iemand van adel toch wel iets aan kunnen doen? Een antiluizenmiddel kost niets.
    Maar dat soort dingen doet het verhaal juist enorm goed!

  4. Op onnavolgbare wijze kwam ik hier terecht. Uw verhaal heeft me zeer ontroerd, terwijl ik verder niet op de hoogte ben van hetgeen zich in uw kringen afspeelde en nog afspeelt. Denk ik. Hmmm, maar eens verder rondneuzen hier. Warme groet.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *