De jukebox

Jacob van der Vrede zou worden gecremeerd in Westerveld, Driehuis. Een aantal bewoners en medewerkers van Onder de Eikenboom begeleidden ‘Cor’ op zijn laatste tocht.
Onder hen Elisabeth, zijn vrouw en Piet.
Het is een mooie wandeling. Van de ingang van Westerveld naar de aula. Over het slingerende pad langs de vele, vele graven. Een wandeling die past bij de stemming. Een wandeling die relativeert.
Wanneer ik iemand ten grave draag (of naar het crematorium breng, het maakt niet zo veel uit. Behalve dan dat ik ‘ten grave dragen’ veel deftiger vind klinken. Plechtiger ook. Statiger. Alsof een leven dan van meer waarde is geweest) dan spelen er vele gedachten door mijn hoofd.
Over het leven en de dood, de overledene en de achterblijvers bijvoorbeeld. Wanneer de plechtigheid een kind betreft, of een jonge man of vrouw dan zijn die gedachten niet intenser, maar wel droeviger Meer gericht op het verdriet dat is ontstaan, op het gat dat is geslagen en op de tijd die lang niet alle wonden heelt.
Wanneer het heel oude mensen betreft, zoals in dit geval, dan zijn mijn gedachten wat filosofischer. Dan worden gedachten een confrontatie met het gegeven dat dit die ene kans is die je krijgt. Dat je het leven moet benutten omdat er, onherroepelijk, op enig moment een einde aan komt.

Ik heb mij menigmaal tijdens deze wandelingen afgevraagd hoe het voor mij eindigen zal.

Wat zijn mijn laatste woorden? Ga ik slapend? Sterf ik ziek? Komt er een fatale klap?
In ieder geval helpt het mij om er aan te denken de juiste woorden te kiezen wanneer ik afscheid neem van mijn vrouw of kinderen. Ik ga nooit weg zonder een kus. Ik ga nooit weg zonder een groet. En we nemen geen afscheid van elkaar tijdens een ruzie.
Van die dingen dus. Van die dingen bedenk ik mij wanneer ik weer eens de tocht op Westerveld maak.

Ondertussen kijk ik naar de overvloed aan grafmonumenten waarlangs ik wandel. Kleine, eenvoudige bemoste steentjes. Grote, glimmende praalmonumenten. Bloemen, een voetbal, een beertje. Flesje bier zonder dop.

Het was een mooie lente-ochtend toen wij bij de aula aankwamen. Elisabeth jubelde van kinderlijke vreugde bij het zien van de bloemen en het horen van de koorgezangen die door de vrijwel lege zaal schalde, en Piet schudde het hoofd, hield zijn wandelstok in de rechterhand en had mijn arm vast met zijn linker. Een mooi stelletje, Piet en ik.

Er was een korte plechtigheid waarbij niet het gegeven dat Jacob van der Vrede dood en stijf in zijn kist lag de situatie zo droevig maakte, maar meer het feit dat Elisabeth, zijn vrouw, waarmee hij een jaar of 60 getrouwd was geweest, begon te applaudisseren en luid ‘hulde, hulde, halleluja!!’ riep terwijl zij om de in de vloer zakkende kist danste.
Ik zat in een van de verder lege banken naast Piet en keek strak voor mij uit.
Er was niets wat ik er aan kon, of er aan zou willen veranderen. Dit was hoe het leven ook kon eindigen.

Plotseling was het bijna stil. De muziek zweeg abrupt. Enkel het geluid van het mechaniek dat de kist omlaag hielp was te horen.
De uitvaartbegeleider schrok op uit zijn stille overdenking en kreeg een kleur. Elisabeth keek verbaasd glimlachend om zich heen.
Ik voelde mij ongemakkelijk en keek toe.

Ik kreeg een tik op mijn schouders van rechts.
Het was de wandelstok van Piet.
Hij had een muntstuk in zijn hand en knikte mij heftig toe.
‘Hie-hie-hierzo!’ sprak hij veel te luid.
Ik begreep er niets van.
‘Voo-voo-voor de ju-jukebox!!’ zei Piet.
Ik heb de oude man nog nooit zo hartelijk zien grijnzen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *