Plan van aanpak

Den Haag, maandagochtend, 10.12 uur, op het hoofdkwartier van de PVV

– Eric, ik heb er dit weekend goed over nagedacht, en ik blijf bij mijn standpunt: wil de PVV haar geloofwaardigheid bewaren, dan moet jij uit de fractie.

– Geert, ik heb mij dit weekeinde er nog eens goed laten voorlichten. Aangaande mijn bron heb ik recht op mijn zetel.

– Welke bron.

– Ene heer Anoniem.

– Hoe klonk hij?

– Hij sprak zijn eigen uit met een hete aardappel in het keelgebied.

– Pechtold! (Balt vuist.) Ik weet dat het je goed recht is, Eric, maar het slaat nergens op. Je zit hier dankzij mij. Ik heb je gemaakt. En ik heb je van tevoren gezegd: als je iets voor me verzwijgt en het lekt uit, lig je eruit. Kun je je dat herinneren.

– Dat kan ik mijzelve zeer ter degelijk herinneren.

– Waarom heb je toen niks tegen me verteld?

– Ik achtte het niet over belang. Het kwam eenvoudiggewijs niet in mij op.

– Je hebt buurtbewoners geterroriseerd!

– Ik heb mijn buurt verlossing gebracht aangaande het probleem der hondenpoep.

– Je hebt een buurvrouw dikke zeug en kankerhoer genoemd. Je hebt een bejaarde man door ‘m hinderlijk te volgen aan het huilen gebracht. Je hebt gedreigd door iemands brievenbus heen te pissen. Je hebt water over je buurvrouw gegooidd. Wil je dat ontkennen?

– Ik herken mij niet in dergelijke uitlatingen daaromtrent.

– Je herkent je er niet in? Dat betekent in mijn ervaring dat er geen woord van gelogen is, Eric. En waarom had je me niet verteld dat je veroordeeld was voor een zedendelict?

– Ook daaromtrent leek het me niet van belang genoeg.

– Je moet weg, Eric. Mijn geloofwaardigheid staat op het spel. Als ik niet hard kan optreden tegen mijn eigen mensen, hoe kan ik andere politici dan ooit nog een gebrek aan ruggengraat verwijten?

– Dat is uw probleem. Wanneer u mij eruit werkt, geef ik vorm aan de Groep Lucassen.

– Dat kan ik niet toestaan.

– Dan zie ik mij genoodzaakt in uw brievenbus te urineren.

– Ik heb geen brievenbus, Eric. Ik verander voortdurend van adres. Ik weet niet eens zelf waar ik vanavond slaap. Ik heb alleen een postbus.

– Dan pis ik die vol, dikke zeug.

– Pardon?

– Je hoorde me wel. Ik vertrek niet.

– Ik heb je aangekondigd als een groot talent, Eric… wat kijk je me nu vreemd aan.

– Ik heb de beschikking over technieken, meneer Wilders. Ik kan hier en nu uw leven eindigend laten zijn?

– Loop je me nu te bedreigen?

– Dat zijn uw woorden.

– Maar Eric, je hebt alles aan me te danken… Eric, wil je blijven zitten, ik roep mijn beveiligers hoor… Eric, Eric… Hmwwrr…

– Zo gaan we het als volgt doen: ik spijt mijn betuigingen aan, zeg mij te schamen voor hetgeen anderen in mij deed vrezen. Ik spreek de hoop af het vertrouwen van mijn partij terug te herwinnen alsmede het vertrouwen van u, de heer Wilders. U deelt mij de straf uit dat ik geen woordvoerder meer ben van defensie en wijken. U zegt diep teleurgesteld te zijn geraakt, maar u geeft mij een tweede kans. En anders ruk ik uw hoofd van uw romp vandaan. Daarnaast, als u mij verwijderd weet uit uw fractie, kunt u straks bezig blijven. Ik ben niet de enige met een zwijgend verleden.

– Whaalviehanvamevond.

– Ik kan u niet verstaan, mijn hand blokkeert uw mond.

– Haalviehandanfweg!

– Oh, excuus.

7 responses

  1. Het was op het Mercatorplein, waar we elkaar ontmoetten. Ik zeg: ‘Ha, Ben!’ Hij liep me nietsvermoedend voorbij, dus ik schreeuw nog eens: ‘Hallo, Ben!’
    Hij liep gewoon verder, diep gedoken in zijn ouderwetse, grijze winterjas. Hij riep nog wel: ‘Ja?’ Ik liep achter hem aan en trok hem aan zijn jas. ‘Je bent in Amsterdam!’
    ‘Wat?’
    ‘In Amsterdam, Ben.’
    ‘Waar de dingen gebeuren, bedoel je?’
    ‘Ja!’
    Ik probeerde me de dingen voor te stellen die zouden kunnen gebeuren, interessant genoeg… Er bleef me weinig anders over dan Ben naar een lokaal te lokken. Laat ik u. Laat ik ons. Pardon.
    Het lokaal waar wij ons naar vervoegden, ’s Hemels Verslaafden, bleek een uitstekende keus te zijn. Qua dames: voortreffelijk. Qua – zoals Ben het zei – pooiers, was het minder geslaagd. Wat ook, maar hier begin ik te zeiken, tegenviel, was het voedsel.
    Maar waar het Ben om ging: waar kon hij schijten? Dat deed hij dus maar voor de deur. Hij veegde zijn kont af met een pampiertje van een boom vlakbij. Hij haalde zijn broek op en zei: ‘Waar zullen we nu eens heen gaan? Ik ben er volledig klaar voor. Weet je wat me tegenviel, Max?’
    ‘Nee. Zeg het eens.’
    ‘Ik mis het letterèrre.’
    ‘Maar daar moet je je niets van aantrekken. Doe als ik: schrijf gewoon een stukje.’
    ‘Was dat maar zo eenvoudig!’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *