De kiekenvreetster, aflevering 6: Het einde van langoor

Eddy Tange (1927-2009) was de waard van het bruinste café van Gent, ’t Keetje. Het café dat in de jaren ’60, ’70 en ’80 een thuishaven was voor provo’s, linkse studenten, journalisten. Eddy Tange was ook een kunstliefhebber, getuige zijn Verzameling Eddy Tange, met daarin diverse werken van zijn vriend Raoul Vanden Heede (1924-1999). In De kiekenvreetster beschrijft hij een vrolijke tocht naar het huis van Vanden Heede. Het verscheen eerder in het door de vzw (dat is Belgisch en betekent: vereniging zonder winstoogmerk) De Trap uitgegeven tijdschriftGandavum. Lees hier de overige afleveringen.

Doch de artiesten voelden aan dat Raoul zijn lyrische ingesteldheid hier sterk werd beïnvloed, want daarnet hadden ze in zijn hoeve het groot olieverf: ‘de kiekenvreetser’ bewonderd en nu ze met de oude boerin als zijn inspiratiebron geconfronteerd werden, waren allen het eens over de sublieme wijze waarmee hij de schrale figuur op zijn eigen manier gestalte gaf. Met deze indruk begaven ze zich terug naar de woonkamer alwaar iedereen, na wat stoelen bij elkaar gescharreld te hebben, plaats nam. Ondanks de overbevolking wou niemand in de zetel zitten waar voorheen de nu verdwenen langoor resideerde, want door de afwezigheid van Firmin, zo heette de broer en mede-exploitant van de doening, kon men vermoedden welk droevig einde het knaagdier beschoren was.

De inviteerder gaf een tourneeke weg en daar de bierflesjes wat lauw aanvoelden vatte ieder een borrel jenever waarvan het alcoholpercentage de bovenhand op het waterige trachtte te behouden. Er werd nu in hun kring druk getaterd en lol getrapt maar ze kwamen steeds terug op het onderwerp wat de buitengewone sfeer betrof die dit ‘kader naar oudsher’ uitstraalde.

Na een wijl verwijderde Jef zich onder het mom dat hij zonodig moest, doch Eedje wist dat hij nieuwsgierig van aard was en waarschijnlijk polshoogte wilde nemen hoe het nu verder met het konijn verliep. Jawel, een tiental minuten later kwam hij lijkbleek binnengestormd en zeeg duidelijk aangeslagen op zijn stoel neer. Geert bekeek hem spottend en vroeg: Wat is er gaande, is er een kikker tegen uw piemel opgesprongen? Hierna volgde een algemeen gelach, maar de Jef vond het niet zo grappig en bracht er hortend uit: Ongehoord! Ik stond te kijken hoe de man het beest slachtte. Hij hing het gewoon levend op aan de achterpoten, stak het spartelend dier de keel over en vilde langzaam het sidderend lijf!

Herman, van de boerenbuiten afkomstig, keek ongelovig bij die beschrijving en wist: Bij ons geeft men zo’n beest een paar flinke meppen achter de oren zodat die vorm van karate de dood of minstens een bewusteloosheid tot gevolg heeft! Een duidelijker omschrijving van het ‘humaine’ slachtritueel, dat men in zijn thuisland doorvoerde, bleef iedereen bespaard door de oude boer die binnenkwam en schamperde: Gijlieden van de stad blijken overgevoelig bij het doen, maar hebben niks tegen een lekker stukje konijn op de teljoor! Wij mensen die daar voor zorgen moeter er wel over waken dat er op het slachtvlees niets aan te merken valt en daarom vermijd ik de donkere plekken van bloeduitstorting die door slagen veroorzaakt worden. Ook de pels moet voorzichtig verwijderd worden want als er bloedspatten op zitten brengt die geen drinkgeld op voor de slachter.

Die korte uiteenzetting kwam als een plotse driftbui over en was duidelijk tegen Jef en Herman gericht, maar niemand voelde zich geroepen daar iets tegen in te brengen. Maar toen het boerke, aan wiens uiterlijk men niet kon zien dat hij keihard was, zich op een stoel neerzette kroop Lady dicht tegen de benen van zijn vriend aan. Waarschijnlijk waarschuwde zijn natuurinstinct hem tegen die dierenbeul, want een vervaarlijke grijns met zijn snijtanden duidde erop dat hij voor deze man op zijn hoede was en bij iedere verdachte beweging zou toehappen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *