Excursie naar St. Willebrord

Lief dagboek,

Vandaag was ik in St. Willebrord, je weet wel, dat dorpje in Noord-Brabant waar ongeveer de helft van de inwoners PVV stemt. Het leek me de ideale plek om mijn zoektocht naar de Nederlandse droom te verdiepen. Ik had me goed voorbereid, dacht ik. Ik wilde het anders aanpakken dan ik op teevee en in de kranten zag. PVV’ers worden te vaak benaderd alsof het exotische dieren zijn in een dierentuin. Ik wilde die afstand wegnemen, ik wilde echt tot ze doordringen. En snel ook, want ik had geen zin om lang rond te hangen in een gebied waar carnaval het enige pleziertje is in het leven.

Via via kwam ik in contact met de Voorzitter. Althans, zo wordt hij genoemd. Zijn echte naam heb ik nog niet kunnen achterhalen. De Voorzitter runt zo’n beetje de boel daar in St. Willebrord. Alle drugs die binnenkomen gaan via hem. En dat wil wat zeggen want er komt veel binnen daar. Dat geldt overigens voor alle PVV-gemeentes. Zoveel heb ik inmiddels wel begrepen: de Nederlandse droom gaat samen met overmatig drugsgebruik. Dat zie je in Volendam, dat zie je in Venlo, en dat zie je dus ook in St. Willebrord. Het is daarom verleidelijk te stellen dat de Nederlandse droom een soort collectieve hallucinatie is. Een paranoïde volkspsychose die wordt gevoed door de dope en keer op keer wordt aangewakkerd door populistische politici.

Maar dat zou te makkelijk zijn. Toevallig ben ik zelf ook niet vies van chemische hulpmiddelen en ik weet daarom als geen ander dat ze slechts dienen als vergrootglas. Dat wat ze uitvergroten moet in de kiem al aanwezig zijn. Zo heb ik bijvoorbeeld ontdekt dat ik diep van binnen een enorme fascinatie koester voor hagedissen. In wat voor trip ik ook zit, ik kom altijd wel een paar van die beesten tegen. Meestal zijn ze verwikkeld in een felle discussie over de zin van het leven of hangen ze gewoon wat rond met een biertje in hun poot. Eerst vroeg ik me nog af waar die fascinatie vandaan kwam, maar inmiddels heb ik haar gewoon leren accepteren. De hagedissen zijn mijn vrienden geworden. Per slot van rekening zijn ze tamelijk onschuldig. Ik doe er niemand kwaad mee.

En dat, lief dagboek, is natuurlijk wel anders met de vervormde werkelijkheid van PVV’ers. Daar is niets vriendschappelijks aan. Bovendien hebben mensen als Geert Wilders een manier gevonden om die particuliere hallucinaties te bundelen en te sturen, waardoor ze kunnen bouwen aan een massapsychose die straks de motor moet worden van een moslimvrij Nederland. Ik schrijf bewust ‘mensen als Geert Wilders’, lief dagboek, want uiteindelijk gaat het natuurlijk niet om Geert alleen. Eerst was er Janmaat, toen kwam Fortuyn, nu hebben we Wilders en zijn opvolger loopt zich waarschijnlijk al warm. De poppetjes zijn inwisselbaar, daar ligt het probleem niet. Het probleem wordt gevormd door de kiem, het fundament waarop de hallucinatie wordt gebouwd. Zolang die kiem intact blijft, zal de psychose blijven bestaan. Ik moest die kiem dus zien te vinden. En daar had ik de Voorzitter voor nodig. Hij verdiende zijn boterham met de hallucinatie. Hij was er dus bij gebaat dat de kiem intact bleef. Als iemand me meer kon vertellen over die kiem, dan was hij het wel.

We hadden afgesproken in het clubhuis van tafeltennisvereniging The Back Hands, een uit gasbeton opgetrokken kot op een verder nog braakliggend terrein. Het deed me denken aan de gymzaal van mijn middelbare school in Gentbrugge. Neergezet door een wethouder met een optimistische kijk op het leven. Ik werd er opgewacht door een jongen in trainingspak die me naar een klein kantoortje bracht. Daar zat de Voorzitter achter een kunststof bureau. Tenminste, ik neem aan dat het de Voorzitter was. Hij zag er niet uit als de grootste drugshandelaar van Noord-Brabant. Met zijn keurige, gestreepte overhemd en zijn kalende schedel had hij meer weg van een boekhouder. Misschien was hij dat ook wel. Ook een tafeltennisvereniging heeft een boekhouder nodig. En het is altijd verstandig om op meer paarden te wedden.

‘Goedendag,’ zei ik. ‘Ik ben Tom de Jager.’
‘Is dit hem?’ vroeg de Voorzitter aan de jongen in het trainingspak. De jongen knikte.
De Voorzitter nam me nauwkeurig in zich op. Alsof hij ter plekke een kosten- en batenanalyse op me losliet. Ik glimlachte ondertussen zo vriendelijk mogelijk om aan te geven dat ik in vrede kwam.
Wat er daarna gebeurde ging allemaal heel snel en ik weet niet zeker of ik voortdurend bij bewustzijn was. Ik vertel het daarom maar zoals ik het me herinner. Eerst werd er een plastic zak over mijn hoofd getrokken. Waarschijnlijk door de jongen die achter me stond. Toen kreeg ik een keiharde stoot in mijn maag en direct daarna een vuistslag midden in mijn gezicht. Ik kende die sequentie van een proefles pencak silat die ik ooit had gevolgd en ik wist dus wat er komen ging: de Voorzitter, of wie het dan ook was, zou een poging doen mijn knieschijf kapot te trappen. Daarom liet ik me snel op de grond vallen en rolde ik me op tot een bal. Ik herinner me nog de citroengeur die opsteeg uit het kortharige tapijt terwijl een spervuur van vuistslagen en schoppen op me neerdaalde. Ook meende ik een aantal tafeltennisbatjes te voelen.

Wat zou Louis Theroux doen in zo’n situatie, vroeg ik me af. Een nutteloze vraag natuurlijk. Waarschijnlijk zou hij nooit in zo’n situatie terechtkomen. Theroux had een bepaalde blik in zijn ogen waardoor mensen eigenlijk vooral medelijden met hem hadden. Ik had die blik thuis in de spiegel geoefend maar blijkbaar was hij toch niet helemaal uit de verf gekomen. Ik moest dus met iets anders komen, maar wat? Om hulp schreeuwen leek me vrij zinloos in dit commune-achtige gehucht. Terugslaan dan? Ik schatte in dat er inmiddels zo’n vier mannen op me in aan het beuken waren. Dat zou ik nooit winnen. Ik zag eigenlijk maar één optie die het proberen waard was.

‘Ik heb drugs bij me!’ schreeuwde ik, maar het spervuur hield aan.
‘Hé gasten, ik heb drugs bij me!’ schreeuwde ik weer, zo hard als ik kon.
‘Huh?’ hoorde ik iemand zeggen.
‘Zei je wat?’ Het was de stem van de Voorzitter.
‘Ik heb mescaline bij me, in de achterbak van mijn auto.’
Er klonk gefluister. Ik haalde opgelucht adem. Misschien zou ik mijn einde dan toch niet vinden in het clubhuis van een tafeltennisvereniging.
Iemand pakte me beet onder mijn oksels en trok me omhoog.
‘Laat maar eens zien dan.’
Ik wilde de zak van mijn hoofd trekken maar iemand trok mijn handen weg en hield ze vast op mijn rug.
Hardhandig werd ik door de smalle gang weer naar buiten geduwd. Onder de zak door zag ik nog net iemand het kantoortje binnenglippen met een fles Andy allesreiniger.

De deal werd snel gemaakt, voor zover je kunt spreken van een deal. Fair was hij in ieder geval niet. Ik opende de achterbak en overhandigde hen het medicijnenkoffertje dat ik daar altijd heb staan voor noodgevallen. Er volgde weer wat gefluister en ik werd met mijn handen tegen mijn auto gezet. Ik moest tot tien tellen en dan maken dat ik wegkwam.

Daar eindigde dus mijn avontuur in St. Willebrord, lief dagboek. Ik kan er ook niet meer van maken. Ik ben niet veel te weten gekomen over de kiem van de vreemdelingenhaat. Bon, de haat had ik gevoeld. Ik voel hem nu nog steeds in mijn ribbenkast als ik diep ademhaal. Maar waar hij vandaan komt weet ik nog steeds niet. Toch heb ik wel het gevoel dat de afstand tussen mij en de PVV’ers kleiner is geworden. Ze zijn geen aapjes meer die ik alleen door een hek van tralies kan begluren. Ik heb ze gevoeld en geroken. Misschien heeft ons bloed zich zelfs vermengd. De excursie is dus niet voor niets geweest. Het is een begin.

6 responses

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *