Driekus

Driekus was op zijn achterhoofd gevallen. Bij het ophangen van een plafondlampje was hij van een gammele trap gedonderd en met een harde knal met zijn achterhoofd op de betonnen vloer terecht gekomen.
Ondanks zijn forse postuur, grote spierballen en armen vol zeemanstatoeages kon ook de gebruinde en geharde kop van Driekus daar niet tegen.
Driekus bleef na de klap liggen waar hij lag en toen hij na een week of wat ontwaakte was hij als het ware teruggekeerd naar zijn kleutertijd.
Hij huilde om zijn moeder, hij werd driftig als hij zijn zin niet kreeg en hij werd boos wanneer hij uit zijn natte bed onder de douche werd geholpen.
Een huilende, driftige en eisende kleuter was Driekus geworden.

Het vervelende was dat Driekus nog wel over het lichaam van een ruwe zeebonk beschikte.
Een verweerde kop met een ruige baard en ogen die werden omringd door zware, donkere wenkbrauwen aan de bovenkant en machtige drankwallen aan de onderkant.
Driekus had ook een stem waarmee je met gemak de afstand tussen de twee pieren bij IJmuiden kon overbruggen. Zelfs bij windkracht negen.

Vaak stond Driekus bij de afgesloten buitendeur een beetje voor zich uit te snotteren.
Tranen biggelden dan over zijn met zwarte mee-eters en haar bezaaide wangen.
Zelfs wanneer Driekus snikkend een langgerekt ‘mama’ kreunde ging dit omstanders door merg en been.

Mensen die Driekus bij naam begroetten viel hij huilend in de armen.
‘Jij KENT mij??’ riep hij dan uit.
‘Haal mij weg hier, ik wil naar MAMA!!! MAAAMMAAAAAAHHHHHH!!’ brulde Driekus er meestal achteraan.

Over het algemeen was het aanbieden van een zwaar shagje genoeg om de rust te laten terugkeren.
Voor even dan.

4 responses

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *