De kiekenvreetster, aflevering 4: Naar de mysterieuze ‘Doornplas’

Eddy Tange (1927-2009) was de waard van het bruinste café van Gent, ’t Keetje. Het café dat in de jaren ’60, ’70 en ’80 een thuishaven was voor provo’s, linkse studenten, journalisten. Eddy Tange was ook een kunstliefhebber, getuige zijn Verzameling Eddy Tange, met daarin diverse werken van zijn vriend Raoul Vanden Heede (1924-1999). In De kiekenvreetster beschrijft hij een vrolijke tocht naar het huis van Vanden Heede. Het verscheen eerder in het door de vzw (dat is Belgisch en betekent: vereniging zonder winstoogmerk) De Trap uitgegeven tijdschrift Gandavum. Lees hier de overige afleveringen.

Uiteindelijk was het Herman die murmelde: Raoul, is er hier nergens een café in de omgeving? Mijn lippen plakken opeen van de dorst!; een vraag waardoor hij op slag zijn geloofwaardigheid herwon.

De aangesprokene keek bedenkelijk alsof hij vreesde hen te moeten ontgoochelen. Kijk, sprak hij weloverwogen, ik weet hier een boerenerf dat men ‘de Doornplas’ noemt en ‘in de tijd des Heeren’, een cafeetje was. Het zijn twee ouden van dagen, eigenlijk broer en zus, die er sinds onheuglijke tijden wonen en nu nog aan bekenden een borreltje of een biertje verkopen. De oudere boeren uit de omgeving maken dan ook grotendeels de klandizie uit en ge begrijpt mijn artistieke interesse voor die ‘peetjes’. De prijs van de consumptie is er zo laag dat men nog moeilijk van een uitbating kan gewagen; maar verder is er absoluut niks, zelfs geen radio of telefoon! Ik weet niet of de vroegere herberg naar de straat genoemd is of andersom, maar ik zal er jullie introduceren onder één voorwaarde: dat de sereniteit gerespecteerd wordt en als het in iemand zijn kraam niet past, hij het onmiddellijk aftrapt.

Dat alles klonk als muziek in d’oren en het vooruitzicht van goedkoop tanken op een plaats waar de tijd was blijven stilstaan maakte hen meer dan nieuwsgierig. Iedereen hielp gehaast mee om de schilderijen op hun plaats te zetten en wachtte daarna geduldig op de ‘heer des huizes’ die nu de katten buitenjoeg die uit schrik voor Lady naar binnen gevlucht waren. Hij trok de deur dicht, vergrendende die op slot en sprak vergoeilijkt: Het zijn mijn zwervers die regelmatig in en uit lopen, meestal zit er een op mijn bed, maar dat mag niet hinderen want ik hou van gezelschap en zij brengen wat leven in de brouwerij!

De hond die zijn best had gedaan om alle katachtigen en vlinders van het hof te verdrijven kwam nu met de tong uit de bek aangedraafd en wachtte hijgend op enige waardering voor zijn efficiënt optreden. Eedje tikte het beest op de pels en bij zijn vriendelijke toon: Goed zo, flink gewerkt!, gromde het dier zelfvoldaan.

Men vormde nu een kleine kolonne en met de ‘autochtoon’ op kop, zette de kleine stoet zich in beweging op weg naar de, voor het gezelschap, mysterieuze ‘Doornplas’.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *