Kraken (1)

Ik heb volop meegedaan met dat kraken. In de vroege jaren ’80 was kraken voor jongeren ongeveer wat twitteren nu is. Het was mieters.

Ik woonde in die tijd half in Parijs waar je ook kraakpanden had, maar die waren zo erg dat je wel desperaat moest zijn wilde je je daar naar toe begeven. Wat we dus toch deden, want je mocht (en mag) in Frankrijk geen wiet kopen van bonafide detaillisten. Elke keer benatte ik mijn broek van angst. Zelden zulke ongure poelen des verderfs gezien.

Maar dan Amsterdam: joviale gemeenschappen in strak georganiseerde samenlevinkjes. Al je vrindjes hadden er een kamer, dus waarom niet? Het hoorde blijkbaar zo: als een obligate afsluiting van je kindertijd. Je werd door moeder met je boeltje voor de deur afgezet en dat was dat. De puberteit kon beginnen! Alles wat je als jonkie nodig had was voor handen; je hoefde eigenlijk nooit meer de deur uit. En dat deden we dan ook zo min mogelijk, tot grote wanhoop van de universitaire docenten in wiers vakgroep driekwart van mijn huisgenoten ingeschreven waren: ze kwamen nooit opdagen. Ze staan u tegenwoordig wel bij in uw juridische gevechten, of smeren u duistere hypotheek- alsmede lijfrentekoopsompolisconstructies aan, dus ergens moeten ze die diploma’s wel hebben weten te bemachtigen, maar hoe, dat kan ik u met de beste wil van de wereld niet vertellen.

In die grote kraakcomplexen waar ik achtereenvolgens huisde was er steevast een washok, een bar waar je uitsluitend flesjes bier kon kopen – maatschappelijk verantwoord gebrouwen, en zonder glazen, die bestonden nog niet – , een concertzaal, een restaurant, een kruidenier, een crèche, een postkantoor en een bankfiliaal. Die laatste twee bedenk ik er met terugwerkende kracht bij, want het leek me zo handig. Het beroemdste kraakrestaurant was veruit Zorro’s Zion, in Wijers. Wat hebben we daar geschranst! De kok (ben verdikkeme zijn naam kwijt) was zo’n ongezellige dikkerd van een Hells Angels, compleet met overvloedige tatoeages en een zwart doodshoofddoekje om het kale voorhoofd. Die gozer kon kóken! We vergaven hem unaniem de zweetdruppels en de as van zijn immer om zijn mondhoek hangende sjaggie, die allebei in grote hoeveelheden de pannen in vielen. Het was goddelijk voedsel. Zoveel wisten we wel. Later is die man één van de meest fantastische restaurants die Amsterdam ooit heeft gekend gaan uitbaten: het Koffiehuis van den Volksbond aan het Kadijksplein, alwaar heel mijn generatie jarenlang trouw en goedkoop is blijven schaften. Toen hij stopte vielen we ten prooi aan horror vacui met betrekking tot de horecabezetting van de stad: we wisten lange tijd niet meer wat we aanmoesten met onze lekkere trek.

Kunstenaars, die waren daar ook in die kraakpanden. Veel kunstenaars. In alle vormen en maten, en in alle stadia van ontbinding. In die voormalige fabrieken en kazernes waar we bizarre en immense ruimtes mochten huren (ja, je huurde ze, van het collectief, voor 75 gulden p/m, dat was de normale prijs; de kwitanties ruilde je vervolgens voor cash in bij je uitkeringsinstantie) werd volop geëxperimenteerd. Je deed wat je wilde, daar kwam het op neer. Voor de een was dat hele dagen (hele nachten moet ik zeggen: de dag was om te slapen) lamlendig in het kraakcafé hangen, voor de meesten was het schilderen geblazen, op plafondhoge doeken, of het construeren van metershoge mechanische skeletten die je vervolgens nergens meer kon exposeren. Maar wat boeide ut, we hadden toch onze eigen galerie in het pand! De jeugdidylle, het walhalla van het jonge leven, het puberparadijs.

het restaurant in de Conradstraat

Ik schilderde noch boetseerde, maakte films noch collages. Ik zat in mijn pipilangkousperiode. Ik had een ezelin en 30 gehandicapte kippen. Daar heb ik jaren mee gezeuld op verschillende plekken van de binnenstad, tot mijn ezelin op een mooie spits ’s maandagmorgens in de IJtunnel ging spookrijden, en ze voorgoed door de bereden politie uit ons midden werd weggerukt. Daarna begon ik een restaurant. Eerst bracht ik zelfgemaakte compote rond aan de kruideniers van alle kraakpanden van de stad. Spoedig nam ik een voetbalveldgrote ruimte in beslag en kreeg ik drie arme zielen zo gek dat ze mij die hielpen omtoveren tot een futuristisch middeleeuwse eetzaal, met één tafel van 3 x 5m in het midden, een karrenwiel met kaarsen voor het licht, waar het kaarsvet vandaan in je boord droop, met onsamenhangende mozaïeken op de pilaren en op (gedeeltes van) de vloer. Op straat vonden we een gasfornuis en een koelkast, tafelmodel. Ik had drie Franse koks in dienst, allemaal politieke vluchtelingen zoals ik, die vrijwillig en vegetarisch elke avond de sterren van de hemel kookten, voor de vaste prijs van vijf gulden per 3-gangen-maaltijd. Het geheim was dat we de groenten die de marktkooplui elke dag wegsmeten hergebruikten. Vooral op de zaterdagen was dat een ware hoorn des overvloeds, waar we gretig van oogstten.

Het liep storm.

Het werd zelfs een begrip. Helaas kreeg ik er op een gegeven moment genoeg van en gaf het stokje over aan iemand zo krankjorum dat ze in haar eentje een column zal vullen (dat is een belofte!), en dat was binnen 2 weken het einde van mijn kraakrestaurant. Als ik door was gegaan was mij door de goegemeente stukje bij beetje het abc van degelijk zakendoen bijgebracht, en was ik heden ten dage de keurige belastingbetaler die ik sowieso geworden ben.

Dát waren nog eens broedplaatsen!

8 responses

  1. Een heerlijk oud zeikwijviaans verhaal om de maandagmorgenblues mee te verdrijven. Alles waar gebeurd, geen woord overdreven en toch leest het als een schitterend sprookje.
    Waarom, terwijl het zooo leuk was, hebben we eigenlijk het paradijs verlaten en zijn we verantwoordelijke hardwerkende belastingbetalers geworden met internet als slap surrogaat voor het kraakcafé?

  2. Ja, als je het zo vertelt dan lijkt het ineens wel leuk, dat kraken. Wat natuurlijk op zich al een prestatie is.

    Ik heb nooit gekraakt, dat moge duidelijk zijn. Daar ben ik veel te netjes voor. De een of twee gekraakte woningen die ik heb betreden bevestigden al mijn vooroordelen.

  3. Ik heb nog eens in zo’n kraakpand het Plaatsvervangend Wonen van onze Vorstin verdedigd. Als we allemaal een paleis, een park en een oprijlaan zouden hebben, dan was Nederland te klein, nietwaar. ZIj moest dus wonen namens ons allen. De kosten waren te verwaarlozen: ongeveer een pilsje per Nederlander per maand.
    Ik werd niet gestenigd, maar kreeg steeds weer een drankje aangeboden.

  4. Ik ben van 1953, een generatie ouder dan de krakers dus. Ik ben van de generatie die altijd heeft gezegd: geen geweld.
    Dat heeft de volgende generatie misschien vergeten.
    Hoewel mijn generatie ook zat in de RAF, enzovoorts. De Berufsverbote, enzovoorts, de verschrikkelijke martelingen die deze lieden moesten ondergaan, simpel door in een gevangenis te zitten, in Duitsland (lees de oude VN’s er maar eens op na). Met die RAF ben ik het trouwens ook nooit eens geweest.
    Ik ben het altijd eens geweest met deze stelling: je komt niet aan iets dat niet van jou is. Dat diskwalificeert dus kraken.

  5. Mooi en herkenbaar verhaal, Oud Zeikwijf. Ik heb de studentenjaren van mijn leven in een groter pand in Amersfoort gekraakt gewoond en een geweldige tijd gehad. Alhoewel niet altijd realistisch hadden we allen wel onze idealen en dromen. Er werd geëxperimenteerd met een zieltogend restaurantje, we boden onderdak aan een jeugdsoos, hadden een excentrieke oudere kunstenaar in ons midden en de nodige ‘demo’s’ tegen van alles en nogwat werden bezocht.
    Het pand stond in een voorname villawijk maar desondanks hebben we nooit enig probleem met onze buren gehad. Werd er een punkconcert georganiseerd dan was een verontschuldigend briefje bij de buren door de bus voldoende. Klachten hebben we nooit gehad.
    Soms was het afzien, koude winters met louter petroleumkacheltjes en de nodige discussies en soms conflicten tussen bewoners onderling… Maar vooral ook kijk ik met heimwee terug op mijn kraaktijd!

  6. Nog één dingetje, OZ. Het was mieters, schrijf je. Maar dat zei je volgens mij in de jaren vijftig-zestig. Niet meer in de jaren tachtig. ‘Mieters’ was een kreet zoals ‘cool’, ‘vet’ of ‘hard’ (of, zoals in de buitenlanden rondom Amsterdam, zoals ‘ruig’) nu gebruikt worden.
    Ik word hierin gesteund door de schrijver van Het bureau, die bijvoorbeeld een vlieg in een glaasje vangt en naar buiten geleidt en dan te horen krijgt: ‘Mieters!’ Gedurende de jaren zeventig hoor je dat ‘mieters’ steeds minder, in die (prachtige) boeken. En op het laatst helemaal niet meer.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *