De Ontdekking van de Hema

Harry Mulisch was tijdens een wandeling door onze geliefde hoofdstad bezig het probleem rond de opwarming van de aarde op te lossen. Zoals gewoonlijk, bedacht Harry Mulisch zich, ligt de oplossing in een paradox besloten. De opwarming van de aarde zal afnemen naarmate de aarde meer opgewarmd raakt. Immers, wanneer de aarde meer opwarmt, zullen de winters warmer worden, en zal men minder hoeven te stoken. Hoe warmer de aarde, hoe minder energie men zal verbruiken, hoe sneller de aarde weer kan afkoelen. Het is dus zaak om de aarde zo snel mogelijk op te warmen, willen wij haar redden.

Zoals altijd wanneer hij tevreden was over een geslaagde redenatie, nam Harry Mulisch een trekje van zijn denkbeeldige pijp. Hij rookte nu al een tijdje niet meer, maar de gewoonte om even tevreden aan z’n pijp te zuigen wanneer hij een ontdekking had gedaan, was gebleven. Het was als mensen die jeuk hebben aan een geamputeerd been. Kennelijk was Harry Mulisch in de loop der jaren één met zijn pijp geworden. Of de pijp was één geworden met Harry Mulisch, dat kon natuurlijk ook. Nog waarschijnlijker: Harry Mulisch en de pijp zijn altijd één geweest, en zullen altijd één zijn. Dat hij nu niet meer rookte, was voor die twee-eenheid evenmin van belang als de pijploze jaren van zijn jeugd. Reeds in de wieg rookte Harry Mulisch pijp, alleen wist hij het toen nog zelf niet.

Terwijl hij zo aan zijn fantoompijp lurkte, liep Harry Mulisch zonder naar links of naar rechts te kijken de straat op. Een jengelende trambel drong traag zijn linkeroor binnen. Een metalige kloenk en een scheurende piep gaven te kennen dat de zeventien er alles aan deed om op tijd tot stilstand te komen. Mensen schrokken op en Harry Mulisch voelde hoe het universum zich naar zijn evenbeeld vormde. Tevreden keek hij naar links, nam nog maar eens een trekje van z’n denkbeeldige pijp en bracht puur op wilskracht de tram tot stilstand.
Een roltrap. De ruimte waarin Harry Mulisch zich bevond was helwit, maar niet zo dat je je ogen moest dichtknijpen. Een muzakversie van Hello Goodbye van The Beatles klonk ergens ver weg. Nergens hingen boxen, nergens liepen mensen, Harry Mulisch was zielsalleen in deze totale leegte. En toch voelde hij zich volkomen op z’n gemak. Niet zo gek, dacht Harry Mulisch bij zichzelf, want Harry Mulisch voelt zich altijd en overal volkomen op z’n gemak. Dat was nu net een van de grote voordelen van het Harry Mulisch zijn. Hij wist niet eens wat het precies betekende, je ergens niet op je gemak voelen. Hij zag het wel eens bij andere mensen gebeuren, vooral bij ontmoetingen met mannen die hem niet mochten. Hij was wel bekend met het fenomeen, maar het wezen ervan was hem vreemd.

De roltrap kwam uit het niets en eindigde in het niets. Hoe hij hier verzeild was geraakt, en waar de roltrap hem naar toebracht, het interesseerde Harry Mulisch niet zoveel. ‘Ik volg het verhaal, en niet andersom,’ mompelde hij tegen zichzelf, ‘daar moet je niet te angstig in opereren.’ Hij zette z’n rechtervoet twee treden hoger dan z’n linker en deed z’n broekspijp omhoog. De bordeaux rode sok zat bijna nog even strak rond zijn kuiten als toen hij de sok die ochtend had aangedaan. Sokken vormen de sluitsteen van een gezonde samenleving. Er zijn mensen die rondlopen met sokken waarvan het elastiek het reeds begeven heeft. Deze mensen, zo wist Harry Mulisch al sinds hij zich kon heugen, deze mensen beseffen niet dat ze zichzelf buiten de maatschappij plaatsen. Ook al zie je er niks van omdat de broek de sok aan het gezicht onttrekt, wie afzakkende sokken draagt ontzegt zichzelf het recht op geluk.

Wanneer Harry Mulisch tijdens een of andere bijeenkomst werd voorgesteld aan een seksegenoot, probeerde hij altijd eerst te achterhalen hoe deze persoon zijn sokken droeg. Meestal nodigde Harry Mulisch zijn gesprekspartner dan uit om eventjes tegenover elkaar in een fauteuil te gaan zitten. Bij het plaatsnemen sloeg Harry Mulisch zijn linkerbeen over zijn rechterbeen, een voorbeeld dat altijd werd nagevolgd. Zo zijn de mensen. Ontdekte Harry Mulisch vervolgens een stukje ontblote huid tussen de sok en de broekspijp van de linkerbeen, dan deed hij geen enkele moeite meer om de persoon tegenover hem serieus te nemen. Op die manier had hij al vele parvenu’s ontmaskerd. Wim Kok was iemand met korte sokken, W.F. Hermans was iemand met korte sokken, Youp van ’t Hek was iemand met korte sokken, Harry Mens was iemand met korte sokken. De lijst van mannen met korte sokken was eindeloos.

Ooit woonde Harry Mulisch een bijeenkomst bij (eigenlijk was het andersom natuurlijk, de bijeenkomst woonde Harry Mulisch bij, maar goed), waar Rob Oudkerk sprak. Terwijl de toen nog vrij onbekende huisarts/politicus iets aan het vertellen was over sociale problemen rond de grootstedelijke huisartspraktijk, dwaalde Harry Mulisch’ blik onwillekeurig af naar de voeten van Rob Oudkerk, die sokloos in een paar witlederen bootschoenen bleken gestoken. Niet te vertrouwen, wist Harry Mulisch toen. Tegenwoordig kwam hij wel vaker mannen tegen die hun voeten sokloos in hun schoenen staken. Mits het weer dat toeliet, uiteraard. De voortschrijdende ondergang van het Vrije Westen manifesteert zich altijd het duidelijkst wanneer het mooi weer is. Nu het dankzij de opwarming van de aarde wel vaker mooi weer zal zijn, zal ook de definitieve ondergang van de maatschappij wel snel een feit zijn. Zo zag je maar weer dat alles met alles te maken had.

Harry Mulisch nam een trekje van z’n denkbeeldige pijp en ontdekte tot zijn genoegen dat de denkbeeldige pijp niet langer denkbeeldig was. Hij had weer een echte pijpenkop tussen duim en wijsvinger. Eigenaardig, maar niet eigenaardig genoeg om in verwarring van te raken. Het was zoals het was. Laat ik er maar van genieten, dacht Harry Mulisch terwijl hij een trekje nam. De tabak gloeide op in de pijpenkop, rook kringelde traag naar boven.

De muzakversie van Hello Goodbye werd onderbroken door een opgewekt fluitdeuntje. ‘Nu in de aanbieding,’ zei een niet onsympathieke vrouwenstem, ‘herensokken, in diverse modellen.’ Hm, bedacht Harry Mulisch zich, misschien moet ik maar eens gebruik maken van deze aanbieding. Wat extra degelijke sokken is nooit mis. Ik ben dan wel een vermogend man, waarom zou ik meer moeten uitgeven dan strikt noodzakelijk? Zijn de sokken van de juiste kwaliteit, dan zie ik werkelijk geen enkele reden om hen mijn voeten te onthouden.

Aan het einde van de roltrap stonden twee stenen tafelen met op elk een grote bak met rookworsten. Merkwaardig, bedacht Harry Mulisch zich, en liep verder. Langs eindeloze rekken truien, winterjassen, ribfluwelen broeken en sjaals, om ten slotte bij de sokken uit te komen. Het aanbod was indrukwekkend, moest Harry Mulisch toegeven. De sokken hingen in rekjes tegen een immense muur aan. 85% Katoen, las hij op het paar sokken dat hij had uitgekozen. Een donkergrijs paar met op elke sok twee donkerblauwe, nauwelijks van de antraciete basiskleur te onderscheiden ruiten die in elkaar overliepen en in hun overlapping een nieuwe ruit vormden. Klassiek motief, subtiel uitgevoerd. Harry Mulisch trok met beide handen het elastiek uit elkaar en moest tot zijn niet geringe genoegen constateren dat hij hier met sokken van hoogstaande kwaliteit te maken had. En dat voor slechts drie euro vijftig. Harry Mulisch deed nog drie paar sokken in zijn mandje, een gele, een rode en een groene, waarna hij op zoek ging naar een kassa. Hoe hij aan een mandje om z’n arm kwam, vroeg hij zich maar niet af.

Hello Goodbye ging over in Irving Berlin’s Cheek to Cheek. Tijdens het boekenbal van 1954 had Simon Vinkenoog hier onafgebroken op gedanst, schreeuwend dat hij Fred Astaire was. Echte schrijvers dansen niet, had Harry Mulisch zich toen bedacht, terwijl hij op de trap ging zitten. Maar nu voelde Harry Mulisch toch onmiskenbaar hoe zijn benen met hem aan de haal gingen. Hij deed een paar kleine pasjes, gevolgd door een sprongetje, het ene been naar achteren, het andere naar voren. Weer een serie kleine pasjes, een luchtsprong met pirouette, weer wat kleine pasjes, gevolgd door een tweede luchtsprong met pirouette. Harry Mulisch zwierde langs de kledingrekken, het hoofd onbeweeglijk, de neus kaasrecht vooruit, zijn lange manen wapperend in de zelfgemaakte wind. Echte schrijvers dansen dus wel, bedacht hij. Harry Mulisch gooide zijn mandje in de lucht, een grand allegro van drie felle sprongen. Hij landde na de laatste sprong op z’n knieën en ving het mandje weer op. Er klonk applaus.

Achter de kassa zat een man die onmiskenbaar op Jeroen Krabbé leek. Hij klapte nog steeds in zijn handen, zij het steeds trager zodat elke klap een lading sarcasme meekreeg. Vreemd toch, bedacht Harry Mulisch zich, hoe iets wat oorspronkelijk bedoeld is als uiting van waardering, juist zo pijnlijk iemands misprijzen kenbaar kan maken. ‘Dank u,’ zei Harry Mulisch stoïcijns.
‘Graag gedaan,’ zei de man, ‘maar laten we ter zake komen. Ik neem aan dat u weet waarom u hier bent.’
‘Nee,’ zei Harry Mulisch, ‘ik heb werkelijk geen flauw idee.’
‘U bent dood,’ zei de jongeman.
‘Is het heus?’ zei Harry Mulisch, oprecht verbaasd.
‘Het is heus,’ zei de jongeman.
‘Dan moet er sprake zijn van een misverstand,’ zei Harry Mulisch, ‘want ik voel mij springlevend.’
‘Dat is slechts schijn, uw tijd is gekomen, anders zou u hier niet zijn. U bent 81, meneer Mulisch.’
‘Leeftijd zegt mij niks, het is dat u nu een getal noemt. Ik ben allang opgehouden met tellen. Weet u dat er primitieve volken zijn die zo tellen: één, twee, drie, veel.’
‘Dat weet ik, meneer Mulisch. Er gaat geen interview voorbij met u waarin u dat niet vertelt.’
‘Is dat zo? Ik hou het allemaal niet meer zo bij. Ik wilde enkel deze sokken afrekenen.’ Harry Mulisch toonde de jongeman de sokken in zijn mandje.
‘Die sokken mag u houden, hoewel u er niets aan heeft, zodra u die deur doorgaat.’ De jongeman wees naar een deur achter hem.
‘Dan ga ik die deur niet door,’ zei Harry Mulisch. Als hij altijd gedaan had wat anderen hem zeiden, was hij nooit geworden wie hij was. Hij zag geen enkele reden om nu wel te doen wat hem opgedragen werd.
‘U moet,’ zei de man, terwijl hij opstond en achter zijn kassa vandaan kwam. Harry Mulisch keek naar de voeten van de man en zag afzakkende witte sokken in sandalen gestoken.
‘Pak eens vast,’ zei Harry Mulisch tegen de man en gaf hem zijn mandje met sokken. Nadat de jongeman het mandje had gepakt, stak Harry Mulisch razendsnel zijn pijp in het rechteroog, gaf een schop tegen het scheenbeen en zette het op een lopen. ‘Houd de dief,’ hoorde hij achter zich. Een alarm ging af. Van alle kanten klonken dreunende voetstappen. Harry Mulisch rende zo hard hij kon, langs de huishoudspullen, langs de kantoorspullen, langs de keukenspullen. De voetstappen kwamen dichterbij. Langs de muur van sokken, langs de kledingrekken met jassen, sjaals en truien. Tijdens het rennen gooide Harry Mulisch de kledingrekken achter zich in het gangpad. Hij hoorde gepiep van remmende zolen, geschreeuw en gekletter van mensen die over de kledingrekken vielen. Bij de roltrap aangekomen verzamelde Harry Mulisch al zijn kracht om de twee stenen tafelen met daarop de rookworsten om te gooien. De rookworsten stuiterden over de geboende vloer. Harry Mulisch zag hoe zijn achtervolgers uitgleden over de sappige vleeswaren. Niet aarzelen nu, bedacht hij zich, nagenieten doe je later maar. Met grote sprongen sprong hij de naar boven rollende roltrap af. Alsof zijn leven ervan af hing. En dat hangt het natuurlijk ook, bedacht Harry Mulisch zich.

De zinderende zomerzon deed zijn ogen knipperen. Twee vrouwen stonden over Harry Mulisch heen gebogen en keken hem vol ongeloof aan. De hoofden van de vrouwen werden omringd door een rode halo. Harry Mulisch probeerde te focussen. De rode halo vormde langzaam het woord HEMA. De twee vrouwen vloeiden samen tot één. ‘Meneer Mulisch,’ zei de vrouw, ‘we dachten dat u er geweest was.’
‘Ik ben er ook geweest,’ zei Harry Mulisch, ‘maar het is toch niet mijn soort winkel.’
De vrouw hielp Harry Mulisch overwind. Ze klopte wat stof van zijn schouders en van zijn rug. Harry Mulisch bedankte de vrouw en nodigde haar uit om eens een kopje koffie bij ’m te komen drinken. Ze namen afscheid. Hij haalde een kammetje uit de binnenzak van zijn jas. Hij kamde zijn haren, verwijderde met duim en wijsvinger enige grijze haren, stak de kam weer in zijn binnenzak en liep fluitend verder, zo nu en dan tevreden trekjes nemend van zijn fantoompijp.

3 responses

  1. Harry Mulisch
    Uit: De gedichten 1974-1983

    Verweer

    uit de put
    van mijn jeugd
    komt een vriend
    buiten adem
    de trap op
    en zegt: weet
    je nog hoe je
    in de oorlog
    die witte muis
    onder de stolp
    van je luchtpomp
    zetter en toen
    begon te pompen
    tot hij niet
    meer bewoog?

    wat een leugens
    want ten eerste
    had ik nooit
    geen luchtpomp
    in de oorlog.
    en ten tweede
    liet ik toen
    de lucht weer toe
    tot de muis
    en ten derde
    heb ik er
    nooit geen muis
    onder gezet
    wat een leugens.
    zo’n lief muisje.

    -Hary Mulisch-

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *