Bartje Koningsbergen

Bart Koningsbergen was dement. De hersenverterende ziekte teisterde hem al een jaar of vijf. In het begin sluipend, hier en daar een ‘gaatje’ in zijn geheugen. Wat ging ik ook alweer doen? Maar zijn dementie was een genadeloze sluipmoordenaar die Bart Koningsbergen had klein gekregen, heel klein.
Bart Koningsbergen lag met zijn ogen open te staren naar het witte plafond. Zonder tanden en zonder bril, met de dekens tot aan zijn kin leek zijn gezicht op de kop van een jong vogeltje. Bleek, breekbaar. Zijn blik was verbaasd, zijn wenkbrauwen waren hoog opgetrokken en zijn mond hing open. De geluiden van de ochtendrituelen in Onder de Eikenboom leken aan hem voorbij te gaan.

‘Nog tien rondjes mama. Toe, nog tien rondjes en dan kom ik heus naar binnen. Het is nog niet eens donker!’ Mama glimlachte. ‘Ok, tien rondjes dan, maar dan kom je naar binnen hoor.’ Bart stapte weer op zijn nieuwe fiets en vloog opnieuw zo hard als hij kon rond het plantsoen. Vandaag had hij, voor zijn elfde verjaardag een heuse fiets gekregen. Een glimmende, zwarte fiets. Met stang, bagagedrager en slot. In zijn hoofd telde hij de tijd die hij nodig had voor iedere ronde. Hij wist het zeker, hij ging steeds harder. Met steeds meer kracht wierp hij zijn nieuwe fiets door de vier bochten van het plantsoen voor zijn ouderlijk huis. In de vierde bocht van ronde zeven ging het mis. Zijn voorwiel gleed weg en Bart schoof met fiets en al onderuit het rozenperk in. De stoeprand voelde hij niet. De rozen wel. Een scherpe pijn striemde in zijn gezicht. ‘Mama,’ huilde hij. En daarna harder: ‘Moeder!’

‘Moederrrrr!!!’ Bart Koningsbergen brulde het door de zaal. Een vrouwenstem maande hem rustig maar dwingend tot kalmte. ‘Rustig maar, meneer Koningsbergen. Ik ben het, de zuster. U wilt zich toch wel scheren voor u naar beneden gaat?’ Bart Koningsbergen probeerde zijn gezicht weg te draaien van het geprik en gezoem maar zijn hoofd werd tegengehouden door het kussen en stilgehouden door een warme hand. Zijn eigen handen kon hij niet gebruiken, de lakens waren stevig ingestopt onder de zware matras.

‘Moeder! Mama!’ Bart keek naar de kleine vrouw in de kist. Zijn moeder was niet groot, maar in deze kist leek zij nog kleiner. Hij vroeg zich af waarom zijn moeder in zo’n kleine kist lag. Zij zou zich niet kunnen bewegen. Hij voelde zich benauwd. Hij huilde. Hij kon de benauwdheid van de kist waarin zijn moeder lag opgebaard voelen. De hand die al die tijd op zijn schouder had gelegen trok Bart van de kist weg. ‘Kom maar jongen. Kom maar.’ Het was zijn oma. Zij drukte Bart tegen zich aan. De tranen van Bart maakten nog donkerder vlekken op de zwarte jurk van zijn oma. Hij kon er niets aan doen. Niet aan het huilen, maar ook niet aan de gedachte dat de jurk van zijn oma rook naar versgebakken brood met pindakaas.

‘Alstublieft meneer Koningsbergen, eet nog maar een stukje.’ Bart Koningsbergen kreeg zijn ontbijt hap voor hap in zijn mond geschoven. De witte boterham zonder korsten had door zijn eigen moeder gesneden kunnen zijn. Drie keer in de lengte, en dan vier keer in de breedte. Kinderhapjes. Na het stukje brood voelde hij een warme tuit in zijn mond waaraan hij automatisch zoog. Warme koffie met melk en suiker spoot tegen zijn verhemelte en liep zonder dat hij slikte zijn keelgat in.

‘Hij doet het!!’ Glimmend van trots zag Bart het zeilschip wind vangen en richting de overkant van de sloot varen. Hij hield het touw waaraan de klomp met zeil was vastgemaakt stevig in zijn rechterhand. Op zijn knieën zat hij op de rand van de duiker die de twee sloten met elkaar verbond. Achter hem stond zijn vader. Lange bruine jas, pijp in de mond. Hij keek om en zag dat zijn vader hem bemoedigend toelachte. ‘Kom jongen, we gaan naar huis, moeder wacht met het eten.’ Bart trok aan het touw en trok de klomp tegen de wind in naar zich toe. De klomp was bijna onder de duiker toen een windvlaag het wollen draadje deed breken. Bart graaide naar de klomp. Hij reikte zo ver als hij kon. Het volgende moment voelde hij de kou van water. Hij zag alleen nog donkere, geel-bruine vlekken en graaide met armen en benen om zich heen. Paniek gierde door zijn lichaam. Geen besef van onder of boven. Geen lucht maar slootwater. Het geel en bruin werden donkerder, daarna werd alles zwart.

Het gezicht van Bart Koningsbergen liep rood aan. Uitademen moest hij, maar de behoefte aan zuurstof maakte dat Bart Koningsbergen alleen kon inademen. De druk in zijn hoofd was onbeschrijfelijk. Het voelde alsof hij veel te lang zijn adem inhield. Hij moest ademen, maar het ging niet. Pijn ging over in een zachte tinteling. Angst maakte plaats voor rust. De kou waar hij al jaren last van had ging over in een warme, behaaglijke gloed. Het laatste dat hij hoorde was dat zijn naam werd geroepen.


‘Bartje, kom maar jongen, kom maar bij mama.’
Mama zong een liedje:
‘Doe mij dankbaar en gezond
opstaan in de morgenstond
als ik mijn oogjes open doe
lacht Uw zon mij vriendelijk toe.’

Hij voelde het gezicht van zijn moeder heel dicht bij het zijne.
Een warme kus op zijn voorhoofd.
Slaap lekker Bartje.

One response

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *